Stengelaaltje%3A+hardnekkig+en+mysterieus
Achtergrond
© HLB

Stengelaaltje: hardnekkig en mysterieus

Ongrijpbaar. Het stengelaaltje is een plantparasitair aaltje waar we nog weinig van weten. Hoe kan het dat een aaltje dat op veel gewassen kan overleven en vermeerderen, vaak lang onzichtbaar is in percelen? Hoe komt de soort zo persistent? Zijn er meerdere 'rassen' binnen de soort met hun eigen waardplanten? Duikt hij op, dan kan hij in korte tijd zeer schadelijk zijn. Meer weten van het gedrag van deze Ditylenchus dipsaci zou bijdragen aan betere adviezen om besmettingen te voorkomen of het stengelaaltje effectief te beheersen of te bestrijden.

Uireka steekt zijn nek uit voor het stengelaaltjesonderzoek met het 'Plan van aanpak stengelaaltje'. De ui is erg gevoelig voor deze nematode. Direct resultaat van het onderzoek is onwaarschijnlijk. Omdat het aaltje zo ongrijpbaar is, is eerst basiskennis nodig voor de beheersing van het plaagorganisme.

Pella Brinkman van Wageningen University & Research Open Teelten werkt samen met Anja Kombrink en Egbert Schepel van het laboratorium HLB in Wijster. Brinkman geeft aan hoe onvoorspelbaar het gedrag van het aaltje is: 'Als het aaltje niet kan vermeerderen, kan het toch schade geven. Kleine aantallen in de grond kunnen al schade opleveren.' Volgens Schepel laat een goede waardplant niet altijd schade zien, terwijl bij een gevoelig gewas al bij een lichte besmetting veel schade kan ontstaan.


Uien en bolgewassen

De schade kan optreden bij veel gewassen, waarvan uien en bolgewassen het bekendste zijn. Maar daarnaast kan het aaltje de kop opsteken in vlinderbloemigen als bonen en erwten, in verschillende granen en in suikerbieten. Brinkman spreekt van mogelijke aantastingen en vermeerdering in honderden soorten gewassen en onkruiden uit wel veertig plantenfamilies.

Beperk in bouwplan gewassen die aaltjes sterk vermeerderen

Egbert Schepel, onderzoeker HLB in Wijster

De onderzoekers gaan ervan uit dat binnen de soort Ditylenchus dipsaci mogelijk veel 'rassen' zijn met ieder een eigen menu dat soms gespecialiseerd is, maar vaak divers. Het eerste onderzoek richt zich dan ook op het vinden van die verschillende populaties.

Telers lopen niet graag te koop met een aaltjesbesmetting. Toch hebben de onderzoekers wel aaltjes uit actieve populaties nodig om de verschillen tussen de 'rassen' te kunnen vinden, zegt Schepel. Hij roept op actieve populaties te melden. Dat kan anoniem. De onderzoekers kunnen met moderne technieken de genetische variatie tussen populaties in beeld brengen. Dat kan helpen bij het voorspellen van het gedrag van het aaltje en het bestrijden ervan.


Jaarverschillen

Volgens Brinkman kunnen aaltjes in een koud voorjaar snel gewassen infecteren. De vrouwtjes leggen tot vijfhonderd eitjes per stuk en de cyclus tot de volgende generatie verloopt snel. Die ligt op ongeveer twintig dagen. Zo kunnen de aaltjes binnen één teelt zoveel cycli doorlopen dat ze van een lichte besmetting naar een zeer zware uitgroeien.

'Ze houden van niet te droog en niet te nat en zijn bij lage temperaturen al actief', zegt Brinkman. 'Ze komen op veel grondsoorten voor en leven dan in de bovenlaag, maar vooral in het gewas. Ze heten niet voor niets stengelaaltjes.' Kenmerken aan het gewas zijn vergroeiingen en verdraaiingen aan blad en stengel. Bij uien zie je een verdraaiing van de bladbasis.


Zware grond

Het aaltje overleeft het gemakkelijkst op zware grond. 'Hij kan wel twintig jaar latent aanwezig zijn. Het lastige is dat het aaltje in lage dichtheid kan overleven en dan snel vermeerdert. Hij kan met plantmateriaal, met grond en met zaad worden verplaatst.'

Uireka zet publiek en privaat geld in van de Brancheorganisatie Akkerbouw en de Topsector Agri & Food. Onderzoekers gebruiken kennis uit eerder onderzoek. Dit literatuuronderzoek kan tientallen jaren teruggrijpen. De nieuwe moleculaire kennis voegt dan hopelijk de populatiespecifieke kennis toe. Brinkman: 'Uiterlijk lijken alle stengelaaltjes op elkaar. Met moleculaire techniek doen we nu een nieuwe poging om de verschillen tussen de populaties op te sporen.'


Witte vlekken invullen

Het in kaart brengen van de gevoelige gewassen en de soorten, waaronder de groenbemesters, waarop het aaltje kan vermeerderen, is belangrijk in het verkennende onderzoek. In het aaltjesschema zijn nog de nodige 'witte vlekken' in te vullen.

Vooral basale kennis over het gedrag van het stengelaaltje kan nieuw licht werpen op de aanpak van het probleem. Het blijft immers vreemd dat een beestje dat veel gewassen lust, ook zo lang in rust kan gaan. De verklaring van dat mysterie zou de onderzoekers veel verder op weg helpen.


Bestrijding

Het gedrag van het aaltje maakt de bestrijding moeilijk én het effect van een bestrijding is moeilijk te zien als het beestje onvoorspelbaar is bij het in rust gaan en weer opduiken. Het lijkt erop dat inundatie een methode is. Die methode berust op het onder water zetten van een perceel.

De onderzoekers denken dat de werking berust op de zuurstofloosheid bij inunderen of op stoffen die in die situatie worden gevormd. Maar deze methode werkt lang niet op alle soorten gronden. Op lichte gronden is het waarschijnlijk effectiever.


Chemie

Chemie is een andere methode. In uien kan Vydate de populatie remmen. Toch is hier ook de werkzaamheid moeilijk te toetsen, zeker op de zwaardere gronden. Het aaltje kan zich immers lang gedeisd houden en dan toch weer opduiken.

Schepel komt veel in het veld bij telers en wordt dan vaak verrast door het plotseling optreden van stengelaaltjes. Hij noemt het dan ook van het grootste belang om 'zicht te krijgen op wat we niet weten'. Het onderzoek aan regiopopulaties is volgens de onderzoeker van HLB de basis van het project. 'Het is een slim beest.'


Bestaande kennis gebruiken

Schepel raadt telers aan de kennis die er wel is te gebruiken waar het aaltje een bedreiging vormt. 'Neem zo min mogelijk sterk vermeerderende gewassen op in je bouwplan. Denk daarbij aan erwten, bonen, uien, peen en groenbemesters als klaver.'

Kombrink wil met het 'Plan van aanpak stengelaaltje' 'meer kennis van het beest krijgen'. Door de specifieke populatie van het aaltje te kunnen vaststellen en de pakkans van het organisme te vergroten, kunnen telers meer grip krijgen op dit aaltje.



Gereguleerde status voor plaagorganisme

Hoewel het stengelaaltje (Ditylenchus dipsaci) geen quarantaineorganisme meer is, gelden er voor een aantal teelten strenge regels, meldt de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De NVWA houdt toezicht op de algemene keuringsdiensten voor de land- en tuinbouw NAK, Naktuinbouw en Bloembollenkeuringsdienst (BKD). Die diensten controleren op de naleving van de maatregelen die gelden voor het stengelaaltje. Het stengelaaltje heeft de status gereguleerd niet-quarantaineorganisme. De status geldt voor een beperkt aantal gewassen. Uitroeiing van het plaagorganisme in het veld is niet verplicht, maar besmet plantmateriaal mag niet in de handel worden gebracht. De status geldt voor zaadproductie en uitgangsmateriaal van uien, luzerne, prei, aardbeien en rode, witte en zwarte bessen en voor bloembollen voor opplant, zoals tulpen, narcissen, krokussen en blauwe druifjes, en een aantal kleine bolgewassen.

Bekijk meer over:

Weer

  • Vrijdag
    13° / -1°
    10 %
  • Zaterdag
    13° / -1°
    10 %
  • Zondag
    12° / 1°
    10 %
Meer weer