Maistelers+focussen+meer+op+VEM%2Dopbrengst
Achtergrond
© Johan Wissink

Maistelers focussen meer op VEM-opbrengst

De nieuwe aanbevelende rassenlijst die eind vorige week werd uitgebracht heeft maar liefst elf debutanten in de verschillende categorieën. Volgens onderzoeker Jos Groten van Wageningen Plant Research laten maistelers zien nog meer op de totale Voeder Eenheid Melk (VEM)-opbrengt te willen scoren. De markt vraagt erom.

Jos Groten, maisrassenspecialist en de technische man achter de cijfers van de Commissie Samenstelling Aanbevelende Rassenlijst (CSAR), kijkt terug op een wisselend teeltjaar. 'Bij het zaaien was het droog. Dit heeft op klei en veen de nodige problemen opgeleverd als het gaat om de opkomst. Er moest worden beregend om de mais er goed op te krijgen.'

Er was volgens Groten ook meer sprake van vogelschade. 'Door de droogte kiemde de mais traag en kwam het gewas ongelijkmatig op. Hierdoor hadden vogels langer de tijd om nieuwe kiemplantjes te verorberen.'

Bij zand speelde die geleidelijke opkomst minder, omdat hier de mais normaal gesproken wat dieper kan worden gezaaid en op vochtige grond kan worden weggelegd.

Op het gebied van voederwaarde willen maistelers vooruit

Jos Groten, maisrassenspecialist

Groot verschil in drogestofgehaltes

Bij de oogst viel met name op dat er een groot verschil was in het drogestofgehalte van de mais tussen Zuid- en Noord-Nederland. In het noorden was de afrijping van de mais veel trager dan in het zuiden. 'In het noorden viel veel eerder en meer regen. Met name het droge en warme weer eind augustus en begin september heeft de mais in Zuid- en Oost-Nederland veel sneller doen afrijpen.'

In het zuiden droogde de mais snel af, met 6 tot 8 procent droge stof per week, stelt Groten. 'In het noorden was het veel vochtiger en rijpte de mais in die periode 1 tot 2 procent af per week.' Dit uitte zich in het uiteindelijke drogestofpercentage bij de oogst.

De zeer vroege rassen haalden in het noorden bij een oogst rond 1 oktober zo'n 33 procent droge stof. De middenvroege rassen in het zuiden haalden gemiddeld rond de 37 procent bij een oogst in de tweede helft van september.


Hoge VEM-opbrengst

Ziet Groten trends op basis van deze maisrassenlijsten? 'Ik denk dat de trend op de lijst een beetje vergelijkbaar is met voorgaande jaren', zegt hij. 'Op het gebied van voederwaarde willen maistelers continu vooruit. Daar is nu extra aandacht voor drogestofopbrengst bijgekomen, naar een hogere VEM-opbrengst per hectare. Hier wordt al een aantal jaar naar gestreefd.'

Doordat heel wat melkveehouders relatief veel gras in het rantsoen hebben, ook vanwege de derogatie, zoeken ze mais met een hoge VEM per kilo droge stof, redeneert Groten. 'Zo hebben ze ook veel zetmeel om met het eiwitrijke gras te voeren. Dit levert een betere benutting op rantsoenniveau op en ook nog eens een lagere uitstoot aan methaan.'

Toch was het niet altijd zo, weet de onderzoeker. 'Vroeger, in het melkquotumtijdperk en voor de derogatie, was met name de hoeveelheid VEM per kilo droge stof interessant. Nu komt hier dus de opbrengst bij. De extra aandacht voor opbrengst wordt ook aangewakkerd door de droogte van de laatste jaren, die de ruwvoerpositie op veel bedrijven heeft verlaagd.'


Kringlooplandbouw

Maar ook in het kader van de kringlooplandbouw is deze extra aandacht voor opbrengst te verklaren, vervolgt Groten. 'Hoe meer opbrengst je van het land haalt, hoe positiever de balans. Een hogere output per hectare bij dezelfde of zelfs een lagere input. Daarmee houd je ook extra nutriënten in het systeem, die niet verloren gaan aan de omgeving.

Groten kan niet zeggen welke rassen het best zijn. 'Alle rassen op de aanbevelende rassenlijst zijn toprassen. Ze zijn allemaal minimaal drie jaar onderzocht. Als ze niet goed genoeg zijn, komt dat uit dit onderzoek naar voren. De rassen worden in de lijst gesorteerd op drogestofgehalte. Op vroegheid dus.'


Andere omstandigheden

Het beste ras is haast voor ieder bedrijf anders, omdat de omstandigheden overal anders zijn. Hoe is de ruwvoerpositie en hoe is de rantsoensamenstelling? Bij weinig ruwvoer speelt opbrengst een belangrijke rol, bij veel ruwvoer is de hoeveelheid VEM per kilo droge stof belangrijker. Bij veel gras in het rantsoen zal de aandacht voor het zetmeelgehalte groter zijn dan bij veel mais in het rantsoen, legt Groten uit.

'Regio en grondsoort zijn ook bepalende factoren', vervolgt de Wageningse onderzoeker. 'In het noorden kies je gemiddeld genomen voor vroegere rassen dan in het zuiden. Daarnaast is op lagere, nattere gronden de stevigheid en de snelheid van de grondbedekking van meer waarde, waar op drogere gronden meer aandacht is voor stengelrot- en builenbrandresistentie.'


Complete maisrassenlijsten

Bekijk de complete maisrassenlijsten in het artikel Maisrassenlijst kent elf nieuwkomers op Nieuwe Oogst. Natuurlijk staan de lijsten ook op de website van CSAR, die deze maisrassenlijsten heeft samengesteld. Zie www.rassenlijst.info.

Er is ook een lijst te vinden met rassen die tolerant zijn voor maiskopbrand. Deze geven een beperkte schade bij percelen die door de schimmel zijn aangetast.


Lijst met rassen met hoge tolerantie voor maiskopbrand

Het valt onderzoeker Jos Groten van Wageningen Plant Research op dat er meer focus is op de schimmelziekte maiskopbrand. 'Vooral in bepaalde regio's, zoals het rivierengebied, het veengebied en het noorden, komt dit steeds vaker voor. De ziekte, die voor het eerst in ons land is waargenomen in 2011, wordt veroorzaakt door een schimmel. Deze infecteert de kiemplant via de wortel en kan bijvoorbeeld door de wind of machines van het ene naar het andere perceel worden verspreid.' De maiskopbrand leidt tot forse schade, doordat de maiskolven worden aangetast en worden vervangen door zwarte schimmelbollen. Die bollen produceren sporen voor de verdere verspreiding. 'Voor het bepalen van de tolerantie van rassen tegen deze ziekte hebben we jaarlijks twee aparte proefvelden op klei en op veen', zegt Groten. 'Het afgelopen seizoen was een mooi onderzoeksjaar, de zwaarst getroffen mais op de proefvelden kende 50 tot 70 procent aantasting. De meest tolerante rassen lieten op de proeven 0 tot 1 procent aantasting zien. Grote verschillen, waarmee telers op percelen die besmet zijn met maiskopbrand toch mais kunnen verbouwen', laat de Wageningse onderzoeker weten. Bedrijven met aangetaste percelen kunnen ervoor kiezen om vier jaar gras te telen, waardoor de sporen geen kans krijgen zich te vermeerderen. Ook heeft Wageningen University & Research (WUR) Open Teelten een lijst met rassen die opvallend tolerant zijn voor deze schimmelziekte. De bovenste rassen op deze lijst hebben zelfs bij een voorheen zwaar aangetast perceel maximaal 1 procent aantasting. De onderste rassen geven maximaal 5 procent aantasting.

Bekijk meer over:

Weer

  • Dinsdag
    19° / 5°
    10 %
  • Woensdag
    20° / 6°
    10 %
  • Donderdag
    18° / 10°
    45 %
Meer weer