Groei%2C+gezondheid+en+gedrag+beter+bij+biggen+die+vroeg+eten
Achtergrond
© Anouschka Middelkoop

Groei, gezondheid en gedrag beter bij biggen die vroeg eten

Biggen die in het kraamhok goed vast voer leren eten, profiteren daar flink van. Ze eten sneller na spenen, groeien beter, hebben minder gezondheidsproblemen en het heeft een langdurig positief effect op hun gedrag. Wel is er een goede match nodig in maatregelen die de voeropname stimuleren voor en na spenen.

De effecten van de vroege voeropname kwamen onlangs uitgebreid ter sprake tijdens het webinar 'Early feed intake and welfare in pigs'. Dat werd gehouden vanwege de promotie van Anouschka Middelkoop bij de leerstoelgroep Adaptatiefysiologie van Wageningen University & Research.

Middelkoop heeft onderzocht hoe je de vroege voeropname van biggen het beste kunt stimuleren, zodat je het liefst alle biggen aan het eten van vast voer krijgt. Haar onderzoek is gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, Cargill en Coppens Diervoeding.


Schade aan darmwand

Dat het belangrijk is om biggen al voor het spenen te laten wennen aan vast voer, is genoegzaam bekend. Biggen die alleen melk hebben gedronken, wachten met spenen veel te lang, voordat ze voer gaan opnemen. Onderzoek heeft aangetoond dat het bij sommige biggen meer dan twee dagen kan duren. Dit leidt tot groeiachterstand en schade aan de darmwand.

De biggen moeten leren hoe ze met elkaar moeten omgaan

Sandra Edwards, hoogleraar gespecialiseerd in diergedrag bij de Universiteit van Newcastle

Daardoor krijgen ziekteverwekkers meer kans, wat tot diarree kan leiden. Daarnaast is het niet herkennen van vast voer en niet genoeg eten na spenen een extra stressfactor boven op de stress die biggen toch al hebben door het spenen vanwege verandering in omgeving en sociale structuur. Die stress kan leiden tot bijtgedrag, waardoor het lastiger wordt om te stoppen met het couperen van staarten.


Langdurige positieve effecten

Het beste is als biggen al op jonge leeftijd vast voedsel leren eten en hun exploratiegedrag kunnen uitoefenen. 'Dat heeft langdurig positieve effecten op hun gedrag. Zeker nu er meer biggen bij de zeug liggen', stelt Sandra Edwards, hoogleraar gespecialiseerd in diergedrag bij de Universiteit van Newcastle.

'Daardoor is er al vroeg meer onderlinge interactie. De biggen moeten leren hoe ze met elkaar moeten omgaan, anders heeft dat negatieve effecten op hun latere gedrag. Biggen die bij spenen lichter zijn, minder melk hebben gehad en niet goed hebben leren eten, worden vaak persistente staartbijters. Vroeg leren eten en meer hokverrijking in het begin zijn daarom belangrijk.'


Groepskramen

Een verrijkte omgeving is volgens Edwards bereikbaar met bijvoorbeeld groepskramen. De biggen hebben hierbij een complexe huisvesting en complexe sociale omgeving – andere zeugen en biggen van andere tomen. Daardoor zijn ze meer gewend aan exploreren en hebben ze minder angst en minder afwijkend gedrag na spenen.

'Direct na spenen zullen de biggen wel vechten bij het mengen met andere biggen, maar dat duurt kort. Biggen vanuit groepskramen nemen na spenen bovendien meer voer op. Dat geldt ook voor biggen in vrije-uitloopsystemen die niet zijn bijgevoerd. Ze hebben hun omgeving leren verkennen en leren kauwen op stro, takjes en voer van de zeugen.'


Smaak en geur

Middelkoop onderzocht hoe je de ervaringen vanuit de natuur en vrije-uitloopsystemen kunt toepassen in een bestaand kraamhok. Ook heeft ze gekeken naar smaak en geur. Hoe dit werkt, werd duidelijk uit de lezing van hoogleraar Kees de Graaf, die bij de mens onderzoekt hoe je met de voorkeuren van smaak kunt sturen op eetgedrag.

De Graaf lichtte dat toe met een paar experimenten. Zo kregen proefpersonen vijf dagen lang dezelfde hoofdmaaltijd of vier dagen iets anders en de vijfde dag weer dezelfde maaltijd als de eerste dag. Dagelijks hetzelfde betekent dat er steeds minder werd gegeten. Bij de afwisselende maaltijden was dit effect er niet. Op de vijfde dag aten ze zelfs meer van dezelfde maaltijd dan op de eerste dag.


Afwisseling doet eten

Bij een ander experiment kregen de proefpersonen eerst een maaltijd voorgezet en korte tijd later nog een maaltijd. Waren die hetzelfde, dan aten ze er minder van. Was het iets anders, dan aten ze er wel goed van, terwijl de eerste maaltijd al toereikend was. Afwisseling van geur en smaak doet dus eten.

Dat effect zal ook bij varkens optreden, is de verwachting en Middelkoop vond daar aanwijzingen voor.


Stimuleren

In haar onderzoek toont Middelkoop aan dat vroege voeropname goed is te stimuleren. Wel blijkt uit dit onderzoek en aanverwante onderzoeken dat het niet bij stimuleren in het kraamhok kan blijven.

'Als de biggen goed hebben leren eten door gebruik van verschillende voeders, dan kun je na het spenen niet teruggaan naar alleen maar één speenvoer geven. Je zult de maatregelen voor en na spenen goed op elkaar moeten afstemmen. Ook na spenen is stimuleren van de voeropname nodig. Anders gaat het positieve effect weer grotendeels verloren.'


Maatregelen die helpen om vroeg te leren eten

Een ruime open biggenvoerbak, waarbij de biggen van elkaar leren eten, werkt beter dan een bakje met afscheiders. Brij is een goede stap tussen melk en droogvoer en verhoogt de opname. Mee kunnen eten met de zeug stimuleert vroeg eten. Dat kan via vloervoedering of via een voerbakje dicht bij de kop van de zeug. Voor de toekomst is groepskramen een mogelijke optie, net als de zeugen een deel van de dag bij de biggen weghalen. Ook systemen waarbij zeug en biggen vrijwillig naar een andere ruimte kunnen naar leeftijdsgenoten, stimuleren de opname van de biggen, net als een ruim verrijkt hok met stro en turf. Simpelweg twee touwen ophangen is niet genoeg.

Bekijk meer over:

Weer

  • Zondag
    4° / 1°
    10 %
  • Maandag
    6° / -3°
    40 %
  • Dinsdag
    9° / 4°
    20 %
Meer weer