Markt+en+overheid+bepalend+voor+bestaansrecht+sector
Achtergrond
© Tony Tati

Markt en overheid bepalend voor bestaansrecht sector

Een krimp van het landbouwareaal is niet de grootste bedreiging voor de Nederlandse land- en tuinbouw. Veel belangrijker is dat deelsectoren voldoende omvang behouden om economisch gezond en innovatief te blijven. 'Blijven we in de kopgroep opereren of worden we er straks afgefietst?'

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) publiceerde vorige week een adviesrapport waarin staat dat het land- en tuinbouwareaal tot 2050 met 180.000 hectare moet afnemen om aan de vraag voor meer natuur, woningen en duurzame energie te voldoen.

Gezien de afname van het landbouwareaal in de afgelopen veertig jaar betekent de analyse van het PBL geen versnelling van die krimp, zeggen sectorkenners. Zorgen zijn er wel over het behoud van voldoende 'volume' om sectoren op het gebied van innovatie en vernieuwing bij de wereldtop te laten horen.

'Als je de teelt niet hebt, heb je ook de kennis niet', zegt directeur André Hoogendijk van BO Akkerbouw. 'Je kunt geen kennisinfrastructuur hebben van een teelt die niet in je directe omgeving plaatsvindt.' Een minimumomvang voor een sector kan hij niet noemen. 'Er zal een kantelmoment zijn. We weten alleen niet waar dat ligt. Het is in elk geval niet van de ene op de andere dag over.'

Als je de teelt niet hebt, heb je ook de kennis niet

André Hoogendijk, directeur van BO Akkerbouw

Carin van Huët, directeur Food & Agri van Rabobank Nederland, wijst wel op het risico van de glijdende schaal. 'Wanneer een productgroep in omvang krimpt, neemt vaak de interesse af om te investeren in innovatie of vernieuwing. Verduurzaming en continuïteitsperspectief zouden in een extreem geval dus onder druk kunnen komen te staan.' Ze stelt dat kleine sierteelten het al zonder een eigen pakket aan gewasbeschermingsmiddelen moeten doen. 'De kosten voor het toelatingsproces zijn te duur.'

Ook Pierre Berntsen, directeur Agrarische Bedrijven bij ABN Amro, vindt het moeilijk om een getal te hangen aan de minimale omvang van de land- en tuinbouw. 'Dat verschilt per deelsector en hangt samen met vitaliteit en investeringsbereidheid. Je wilt voorkomen dat je langzaam afglijdt, want dan haak je af bij de internationale kopgroep. Om in wielertermen te spreken: dan verlies je de aansluiting, zak je door de het peloton en voor je het weet wordt je eraf gefietst.'

Belangrijker is dat een sector groot genoeg blijft om innovatief te blijven en jong talent aan te trekken, zegt Berntsen. 'Dat ook zonen en dochters perspectief zien en de bedrijven willen overnemen. De innovatie- en concurrentiekracht van een sector wordt bepaald door het gehele cluster van activiteiten. Denk aan onderzoek, onderwijs, ontwikkelaars van uitgangsmateriaal, teelt- of houderijsystemen, toeleveranciers, verwerkende industrie en een faciliterende overheid.'

Vitaal cluster

Voor een vitaal cluster heb je voldoende kritische massa nodig, vervolgt Berntsen. 'En niet onbelangrijk, een wenkend perspectief, zodat het aantrekkelijk is om te investeren.'

Beide banken zien een sector als de melkveehouderij niet snel in de problemen komen. Berntsen: 'Nederland heeft een sterk cluster en is internationaal toonaangevend. De zuivelprijs ligt hier, ondanks de forse export, hoger dan in de omringende landen.' Van Huët: 'Maar ook hier is een grote thuismarkt met een hoog kennis- en productieniveau belangrijk om innovaties te testen en van de grond te krijgen.'

Berntsen noemt de kassenbouw als voorbeeld van een sector die profiteert van een sterkte thuismarkt. 'De grootste omzet daar wordt in het buitenland behaald, maar de thuismarkt is waar de ontwikkeling van nieuwe systemen plaatsvindt.'

Leunen op buitenland

De ABN Amro-directeur ziet bijvoorbeeld dat de innovatie in de konijnen- en kalkoenhouderij wegzakt of afhankelijk is van buitenlandse inbreng. 'Beide sectoren leunen op het buitenland voor de verwerking en verwaarding van het product. Dan zie je dat zo'n sector waar een cluster van bedrijven omheen zit, verzwakt. En zo'n cluster heb je wel nodig om te innoveren en door te ontwikkelen, want een enkele ondernemer gaat dat niet alleen voor elkaar krijgen.'

Volgens Van Huët bepaalt, naast de markt, ook overheidsbeleid of er op lange termijn bestaansrecht is voor een sector. 'Het is aan de bedrijven om daarop te anticiperen. Maar ook aan de overheid om hier waarde aan te hechten.'

© Tony Tati

Wageningen Economic Research deed in 2015 onderzoek naar het belang van de primaire landbouw voor het totale agrocomplex. De conclusie luidde kortweg dat juist de veelzijdigheid de kracht is van het complex. Maar ook dit rapport gaf destijds geen antwoord op de vraag wat de minimale omvang van een sector moet zijn.

Strategisch vraagstuk

Petra Berkhout van Wageningen Economisch Research, destijds een van de opstellers van het rapport, spreekt van een strategisch vraagstuk. 'De discussie moet eigenlijk zijn: hoe essentieel vinden we voedselproductie? Hoeveel wil je buiten Nederland laten plaatsvinden? Er is een minimumomvang noodzakelijk, maar daar zijn we nog niet. Deze strategische discussie moet eigenlijk in Europees verband worden gevoerd.'

De zoektocht naar een nieuwe balans vertaalt zich volgens Berkhout in een strijd om de ruimte. 'Wat willen we: woningen, landbouw, datacentra? Bij nieuwbouw wordt gekeken naar landbouwgrond en deze sector is economisch gezien een lichtgewicht. Dan leg je het al snel af tegen de bouw of het bedrijfsleven. In zachtere waarden kan het wel een zwaargewicht zijn, bijvoorbeeld bij landschapswaarden.'

Slimmer met ruimte omgaan

Die paar procent landbouwgrond die naar de woningbouw gaat, zal in de agrarische productie nauwelijks worden gevoeld, zegt voorzitter Dirk Duijzer van de Topsector Agri & Food. 'Desondanks moet er spaarzaam mee worden omgesprongen. De woningbouw kan ook slimmer met ruimte omgaan door bijvoorbeeld oude wijken te renoveren, compact te bouwen en oude industrieterreinen op te ruimen. Renovatie levert voor die sector ook geld op.'

De bouw van zonneparken op goede landbouwgrond noemt Duijzer problematisch. 'Dat gaat dwars door vruchtbare gebieden heen en dat vind ik onnozel beleid.'

Binnenkort verschijnt op verzoek van de Tweede Kamer een adviesrapport over de ruimtelijke inrichting van het platteland. Ook Duijzer kijkt daar met grote belangstelling naar uit.


Archief Het gewasspecifieke deel van de PT-heffing vervalt voor bloembollenkwekers. Foto: Nieuwe Oogst
Archief Het gewasspecifieke deel van de PT-heffing vervalt voor bloembollenkwekers. Foto: Nieuwe Oogst © Nieuwe Oogst

Duin- en Bollenstreek geeft voorbeeld

Is het mogelijk om huizen te bouwen, bedrijven de ruimte te geven en het land- en tuinbouwareaal op niveau te houden? Ja. In de Duin- en Bollenstreek heeft de lokale overheid de regie op de ruimte gepakt en areaal behouden.

De Duin- en Bollenstreek zit ingeklemd tussen de zee en de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad. Het grootste deel van het grondgebied is in gebruik als grond voor de bloembollenteelt. Deze bloeiende velden vormen op hun beurt weer eigen economische peiler: toerisme en recreatie, met Keukenhof als grootste attractie.

Deze situatie heeft ertoe geleid dat het kabinet de Duin- en Bollenstreek in 2005 aanwees als een van de vijf Greenports. Een Greenport is een tuinbouwgebied dat belangrijk is voor heel Nederland en een internationale concurrentiepositie heeft. Daarmee erkende het Rijk het economisch belang van het bollen- en sierteeltcomplex in de Bollenstreek, inclusief productie, handel, distributie, onderzoek en promotie.

Daarmee was de toekomst van de bollensector in deze streek niet zeker gesteld. Er lagen – en liggen – diverse ruimteclaims op het landschap voor bijvoorbeeld woningbouw, handels- en exportbedrijven en reguliere bedrijven die zijn gespecialiseerd in glas of infrastructuur. Deze claims dreigden de positie van de bollenteelt te verzwakken.

Minimaal 2.625 hectare bollengrond

De gemeenten (tegenwoordig Hillegom, Katwijk, Lisse, Noordwijk en Teylingen) hebben daarop afspraken gemaakt. Ze bepaalden dat de totale bollensector in de streek een minimaalareaal eersteklas bollengrond nodig heeft van 2.625 hectare. Ook richten ze in 2010 de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij op. Deze werkt zonder winstoogmerk aan een economisch en ruimtelijk vitale Duin- en Bollenstreek, via actieve gebieds(her)ontwikkeling en herverkaveling.

Ruim tien jaar later is de kwaliteit van het gebied verbeterd. Incourant bedrijfsmatig vastgoed is opgeruimd. Er zijn woningen bijgebouwd en verrommelde plekken zijn herontwikkeld of opgeruimd. En het areaal bollengrond? Dat is nog altijd boven de 2.625 hectare.


Uit de exportcijfers van Nederlandse uien van GroentenFruit Huis blijkt dat tot halverwege september ruim 208.000 ton is verkocht aan het buitenland.
Uit de exportcijfers van Nederlandse uien van GroentenFruit Huis blijkt dat tot halverwege september ruim 208.000 ton is verkocht aan het buitenland. © Anton Dingemanse

Analyse: exportsucces keert zich tegen sector

Boeren en tuinders gaan er prat op dat ze de wereld voeden. Nu het exportsucces van de land- en tuinbouw steeds vaker op kritiek stuit, wordt het tijd een andere boodschap uit te zenden.

In het politieke debat over de toekomst van de land- en tuinbouw in Nederland is vrij weinig aandacht voor het economische belang van de sector voor de bv Nederland. Komt het ter sprake, dan is het vaak niet positief.

Stromingen (politieke partijen en ngo's) die vinden dat het met de veehouderij en akkerbouw wel een tandje minder kan, doen laatdunkend over de tweede agrofoodexporteur van de wereld. Het beeld dat zij bij het publiek opdringen, is dat van een op bulk gerichte sector die met achterlating van milieuproblemen in eigen land profiteert van de grote vraag naar goedkoop voedsel elders in de wereld.

Stijging wederuivoer

Het is voor milieubeschermers en natuurliefhebbers daarom niet moeilijk om de publieke opinie tegen het Nederlandse landbouwsucces te keren. Ook al berust dat beeld van een postzegel die de wereld voedt op hardnekkige misvattingen. De groei van de Nederlandse voedselexport is namelijk vooral te danken aan een stijging van de wederuitvoer. Dat is veel meer een logistieke dan een landbouwprestatie.

De stijgende waarde van de landbouwexport is eveneens niet danken aan hogere binnenlandse opbrengsten, maar aan de toenemende vraag en de navenant stijgende prijzen op de wereldmarkt voor voedsel en grondstoffen.

Uiteraard kunnen ook boeren en tuinders trots zijn op de prestatie van Nederland op die wereldmarkt, maar ze zijn daar zeker niet de grootste speler. Bijvoorbeeld de sterke Nederlandse zuivelsector rust op de pijler FrieslandCampina, slechts de nummer zeven van de wereld met een aandeel van een paar procent in deze (nog) sterk versnipperde markt.

Correctie beeldvorming

Het beeld van Nederland als 'voeder' van de wereld verdient daarom een correctie, zegt ook boegbeeld Dirk Duijzer van de Topsector Agri & Food. Hij roept boeren en tuinders op zelf ook bij te dragen aan een andere beeldvorming. De Nederlandse land- en tuinbouw helpt de wereld vooral 'zichzelf' te voeden. Dat is een sterkere boodschap die dichter bij de werkelijke prestatie van de sector ligt.

Om de wereld daarbij te blijven helpen, is instandhouding van een sterke sector onmisbaar. Zo'n 80 procent van de Nederlandse agrarische handel is met de Europese bondgenoten. Die profiteren daarmee van de vruchtbare delta aan de westkust van het continent. Dankzij deze handel kunnen de sterke clusters van bedrijven rondom de veehouderij, akkerbouw en glastuinbouw agrarisch ondernemers ondersteunen bij het doen van investeringen in onderzoek en innovatie.

Bij die innovaties op het gebied van veredeling, teelten, kassenbouw en staltechnieken gaat het steeds vaker om technologische hoogstandjes die in Nederland zijn getest en hun nut hebben bewezen. Daarin schuilt de werkelijke meerwaarde van de land- en tuinbouw voor Nederland als exportland.

Weer

  • Zondag
    25° / 11°
    60 %
  • Maandag
    18° / 15°
    70 %
  • Dinsdag
    17° / 8°
    60 %
Meer weer