Dirk Duijzer: 'Niet achteruit kijken, dan ben je eindig'

Innovatie is van groot belang voor de land- en tuinbouw. Een sector die niet blijft innoveren is ten dode opgeschreven, zegt voorzitter Dirk Duijzer van de topsector Agri & Food. Hij maakt zich zorgen over de polarisatie rond een thema als de stikstofproblematiek. Boeren en tuinders moeten zich blijven richten op wat er in 2030 en 2050 van ze wordt gevraagd. 'Dat is ondernemen in dit land.'

Duijzer is sinds een half jaar het boegbeeld van de topsector Agri & Food. Voor de voorzitter een aanleiding om de pers uit te nodigen voor een bijpraatsessie op zijn historische boerderij in Odijk.

Als een van de negen topsectoren is er voor innovatieprojecten in Agri & Food jaarlijks een budget van zo'n 80 miljoen euro beschikbaar, waarvan de helft wordt opgebracht door het bedrijfsleven. Dit geld wordt verdeeld in een samenwerking tussen bedrijven, wetenschap en de overheid. Het kabinet sluit telkens voor vier jaar een nieuw convenant waarin de belangrijkste innovatiethema's voor een regeerperiode worden vastgelegd.


Wat zijn momenteel de prioriteiten voor innovatie in de land- en tuinbouw?

'De belangrijke thema's van nu zijn kringlooplandbouw en klimaatneutraliteit. En bij dat laatste is stikstof ook onder te brengen. Ondanks dat het onderzoeksconvenant met de overheid vastligt, zijn er tussentijds wel aanpassingen nodig. We leren nu ook van de coronacrisis.'

Er zijn momenten geweest dat ik dacht: daar wil ik niet bij horen

Dirk Duijzer, voorzitter topsector Agri & Food

Wat leert de sector van de coronacrisis?

'Bijvoorbeeld dat arbeidsmigratie best ineens een probleem kan zijn. Daar hebben we zo nooit naar gekeken. Het betekent voor een bepaald type arbeid dat dit een geweldige stimulans kan zijn om toch verder te gaan met robotisering. Dit kan een oplossing zijn voor de ongewenste kant die arbeidsmigratie kan hebben. Dat is een nieuw thema dat nu speelt. Binnen de topsector zijn partijen het erover eens dat we hierop moeten sturen.


Welke invloed gaat u hebben op de topsector Agri & Food?

'Een persoonlijk accent dat ik wil leggen is dat innovatiepotjes makkelijker bereikbaar worden voor de kleinere mkb's. Heel veel mensen zeggen dat dit een feestje is van de grote bedrijven. Want zo'n stelsel is altijd een ingewikkeld spel. Daar moet je onderzoeksopgaven voor formuleren volgens een aantal criteria en grote bedrijven hebben daar een afdeling voor. Kleine bedrijven hebben dat niet, die vinden dat ingewikkeld.

'Binnen de topsector hebben we daarom regelingen voor het gewone mkb bedacht. Eenvoudiger, sneller, met kleinere bedragen en makkelijker toegankelijk. Daarbij zoeken we bedrijven in de agrarische sector actief op.


'We merkten bijvoorbeeld dat de start-ups ons moeilijk konden vinden. Daarvoor hebben we een aparte bijeenkomst georganiseerd samen met de topsector Techniek. Dan gaan wij ze een avond bijspijkeren over hoe ze van ons een financiering kunnen krijgen.'


Is er ook samenwerking met andere topsectoren?

'Vroeger niet, maar de laatste jaren is er een stevigere samenwerking. Zo is Agri & Food meer gaan samenwerken met de topsector Water. In bijvoorbeeld de Natura 2000-projecten krijgen wij zoveel te maken met water en waterschappen, dat het handig is om met de topsector Water een gezamenlijk subsidietraject in gang te zetten. Dat is nieuwe themagroep geworden rond droogte, vernatting en waterpeil.


Bij innovatie gaat het veel over techniek, terwijl het advies van de commissie-Remkes er ook voor pleit om weer terug te gaan naar de oude boerenkennis over het sluiten van kringlopen. Wordt daar binnen de topsector ook zo over gedacht?

'Een stap terug zetten betekent niet dat het niet om techniek gaat. Bij innovatie gaat het soms ook om nieuwe manieren van samenwerken. Bij natura 2000-projecten moeten verschillende partijen samenwerken: waterschappen, provincies, gemeenten en boeren. En dat is best ingewikkeld.

'Daar is een soort makelaar aangesteld die de partijen bij elkaar houdt. Die merkte bijvoorbeeld dat alle partijen zelf al een langetermijnvisie hebben. Meestal is wel bekend wat er speelt in een gebied. Of bijvoorbeeld een boer gaat stoppen en wie uitbreidingsplannen heeft. Alle partijen hadden al een soort plaatje van de toekomst in het hoofd, maar niemand had dat uitgesproken. Die makelaar kan daarin bemiddelen en naar oplossingen zoeken.'


Is dat een blauwdruk voor de gebiedsgerichte aanpak van het stikstofprobleem?

'Niet helemaal. Het feit dat je een soort makelaar in die gebieden kunt gebruiken zou de blauwdruk kunnen zijn. Maar de samenwerkingsverbanden en ook de oplossingen liggen overal anders. Deze ervaring leidde wel tot een verzoek aan de landbouwminister om in haar beleid niet te veel uniforme regels te maken. Je kunt beter een doelomschrijving geven.


Tekst gaat verder onder kader.
Dirk Duijzer heeft er al een lange loopbaan in de land- en tuinbouw op zitten. Hij begon in de jaren tachtig als voorlichter bij de Utrechtse Boeren- en Tuindersbond en later de Christelijke Boeren- en Tuindersbond. In 1994 trad hij toe tot de directie van LTO Nederland, eerst als directeur sectoren en tot 2006 als algemeen directeur. Daarna volgde een overstap naar het Productschap Tuinbouw. Tussen 2008 en 2011 was hij directeur Food & Agri bij Rabobank. De functie van voorzitter van de topsector Agri & Food combineert Duijzer met die van directeur Bestuurszaken en Coöperatie van Rabobank Nederland. Hij werd door staatssecretaris Mona Keijzer van Economische Zaken en Klimaat benoemd tot voorzitter van de topsector. Duijzer neemt daarmee het stokje over van Aalt Dijkhuizen, die deze positie sinds 2014 vervulde.

'Er ligt met stikstof een serieus probleem. Remkes stelt ook een doeloplossing voor. Dat geeft veel ruimte voor een oplossing voor het eigen bedrijf of een regio die bij het Natura 2000-gebied past. Dat veronderstelt wel dat je de normen wettelijk moet verankeren, anders kun je geen doelbeleid voeren. En dan moet je in je prioritering gaan kijken naar de meest kwetsbare gebieden.

'Zo zou ik het advies van Remkes hanteren. Maar die discussie gaat nog komen.'


Wat is uw beeld van kringlooplandbouw?

'De kringlooplandbouw heeft verschillende dimensies. Je hebt de hele kleine kringloop met stadslandbouw, leveren aan eigen slagerij of winkel op het erf of aan de horeca. Dat is niet per se de oplossing. In de coronacrisis leverde dat zelfs heel grote problemen op, omdat de horeca dicht ging.

'De grotere kringloop zet ik op 800 kilometer. Dat is een acceptabele kringloop die je ook ziet in Amerika of Canada en binnen Europa. Je moet nadenken of je de grootschalige bulk wel buiten die 800 kilometer wilt afzetten. Is dat niet te opportunistisch? En dat geldt ook voor bepaalde importen van bulk. Die verre export moet je doen met specialiteiten als babyvoeding, maar niet met standaard varkensvlees of groente. Dan worden de afstanden te groot en wordt het te duur.


We zijn nu tweede agrarische exporteur. Verdedigt u die positie?

'Dat is geen doel op zich. Er is ook een misverstand over de landbouwexport. Want als een klein land als Nederland al de tweede exporteur kan zijn, betekent het dat er maar heel weinig wordt geëxporteerd in de wereld. 80 procent van alle voedsel in de wereld is regionaal. De exportmarkt van land- en tuinbouw is klein en daarvan is Nederland de nummer twee.
'Wel is de landbouwexport van betekenis voor ons handelsoverschot. Want zo heel veel maakindustrie hebben wij natuurlijk niet in Nederland. Dienstverlening levert voor de export weinig op.

'De Nederlander vindt die export acceptabel als niet alle rotzooi in Nederland blijft en niet alle goede producten naar het buitenland gaan. Op het moment dat er discussie is over vormen van veehouderij of akkerbouw, of van gasgebruik dat niet acceptabel wordt gevonden, heb je een probleem. Innovatie is dus een groot ding voor de land- en tuinbouw. Boeren moeten daarom blijven innoveren.'


Op het Malieveld stelden de protesterende boeren dat ze al zoveel hebben geïnvesteerd in de vernieuwing van hun bedrijven.

'Dat is ook zo. Daarin hebben ze hartstikke grote stappen gezet, maar dat geldt voor elke sector in Nederland. Een sector die niet blijft innoveren, is ten dode opgeschreven. Dat is in de bouw zo, in het transport en ook in de land- en tuinbouw.

'Ondernemers moeten kijken wat er gebeurt richting 2030 en 2050 en daarin blijven meelopen met vernieuwingen. Dat is ondernemen in dit land.'


Kun je door innoveren een sector die niet wordt geaccepteerd toch weer bestaansrecht geven?

'Chemie was een sector die een aantal jaren geleden werd uitgespuugd. Daar hoor je niemand meer over. Dus dat kan, maar daar moet je wel voor gaan.

'Dat is niet voor iedere ondernemer haalbaar. Er zijn altijd boeren geweest voor wie de investeringslast te groot werd. Vanaf 1950 is 2,7 procent per jaar gestopt en dat zal voorlopig nog wel even door blijven gaan. Dat gebeurt overigens in alle sectoren. We zijn als Agri & Food echt niet bijzonder op dat terrein.


Moeten we krampachtig blijven vasthouden aan de huidige dieraantallen?

'Als dat economisch gezien kan binnen de regelgeving en qua maatschappelijk draagvlak en innovatie, is dat prima. Dat is dan een uitkomst, maar dat kan nooit het vastgestelde doel zijn in een samenleving. Mijn hart ligt bij de sector, maar als deze het niet kan doen binnen wettelijke kaders, heb je toch wel een issue.'


Het debat daarover is sterk gepolariseerd. Had u zich daarin niet eerder willen mengen?

'Dat heb ik niet gedaan, ook omdat mijn voorganger Aalt Dijkhuizen daarin actief was als voorzitter van het Landbouw Collectief. Als het radicaliseert, past het mij niet. Er zijn momenten geweest dat ik dacht: daar wil ik niet bij horen. Ik ga ook helemaal niet tegenover de sector staan. Nu spreek ik mij wel uit. Je moet als sector niet achteruit kijken, want dan ben je eindig.'


Ontwikkelen van waardering voor ons voedsel

De topsector Agri & Food is de organisator van de Dutch Food Week. Door de coronacrisis vindt die dit jaar plaats van 10 tot en met 17 oktober. Het thema is verbinding. In Nederland wordt voedsel ondergewaardeerd, stelt Agri & Food-voorzitter Dirk Duijzer. De foodweek moet daarom bijdragen aan een herwaardering. 'In Nederland betalen we het minst voor ons voedsel. En dat is eigenlijk gek. Want in onze supermarkten heb je alle keuze met de beste producten. En we betalen er het minste voor, in verhouding met wat we verdienen. Dat vind ik betreurenswaardig.' Een verandering van die mentaliteit begint volgens Duijzer bij de jeugd. Tijdens de foodweek zijn daarom veel activiteiten op kinderen gericht. 'De waardering voor voedsel moet zich ontwikkelen. Voedsel kun je beleven door smaak, versheid en geur en als dat goed is, wil men er best wel een dubbeltje meer voor geven. Dat is wel een weg van de lange adem. En daar worden wel stappen in gezet. Er is ruimte voor in de keten.' De foodweek vindt nu niet plaats in het oogstseizoen. 'Er is op de boerderijen dus wat minder te zien. Maar het is wel een seizoen van lekker eten.'

Weer

  • Maandag
    23° / 9°
    10 %
  • Dinsdag
    19° / 14°
    70 %
  • Woensdag
    18° / 12°
    50 %
Meer weer