Maisrassen steeds vroeger en meer opbrengst dan in 1996

Nieuwe Oogst, destijds Oogst, startte in het voorjaar van 1996 met het Maismeetnet. Met hulp van een vaste groep melkveehouders laten we elk jaar zien hoe de mais er in Nederland bij staat. Inmiddels zijn we 27 jaar verder. Wat is er in die jaren gebeurd in de maisteelt?

Maisrassen+steeds+vroeger+en+meer+opbrengst+dan+in+1996
© Geert Aarts

Talloze factoren beïnvloeden de ontwikkeling van maisrassen, weet onderzoeker Jos Groten van Wageningen University & Research Open Teelten. Hij gaat daarin zelfs verder terug dan de 27 jaar Maismeetnet. 'In de eerste jaren van de maisteelt, in de jaren zeventig en tachtig, was er vooral een drang naar meer massa. Toen in 1985 de superheffing kwam, werd kwaliteit belangrijker. Het aantal koeien werd de beperkende factor.'

Dit resulteerde voor de periode van 1985 tot en met 1995 in kortere planten met eenzelfde kolf, waardoor het kolfaandeel maximaal werd. De hoeveelheid VEM per kilo droge stof ging in die tijd met 10 procent omhoog. In de periode daarna was er weer focus op een massalere plant. 'Je kunt de VEM verhogen door relatief meer kolf te hebben, maar de plant heeft ook een bladapparaat nodig om die kolf te produceren', zegt Groten.


Enorme lengtegroei

Zo was de gemiddelde lengte op de rassenlijst in 1996 nog 260 centimeter. Dit jaar is dat 315 tot 320 centimeter. Het leidde ook tot een veel hogere opbrengst, van 17 ton droge stof per hectare op een proefveld in 1996 naar 22,5 ton dit jaar. De onderzoeker stelt wel dat daarbij de laatste jaren vaker wordt beregend, zodat ook in droge jaren goede opbrengsten zijn te behalen. Zonder beregenen lukt dit niet overal.

Zo'n 27 jaar geleden kon je sporadisch de mais in september oogsten, nu is het normaal

Henk van der Stok, melkveehouder in Haastrecht

Het valt Groten op dat in de afgelopen 27 jaar de hoeveelheid VEM per kilo droge stof niet veel is verhoogd. Dat ziet hij wanneer hij de rassenlijsten van 1996 en 2022 naast elkaar legt. 'In 1996 produceerden de rassen op die lijst gemiddeld 960 VEM, nu rond de 990 VEM, een verhoging van pakweg 3 procent', licht hij toe.


Kuiluitslagen

Productmanager Forage Antoon Jacobs van Eurofins Agro ziet op basis van de kuilanalyses dat het zetmeelgehalte en de VEM-waarden gemiddeld genomen zijn gestegen in de onderzochte snijmaiskuilen. 'Vanaf 1998 zag je een VEM van rond de 940. In 2022 was die mede door de droogte iets lager dan de jaren ervoor. De afgelopen vijf jaar was die gemiddeld tussen de 985 en 990, veel hoger dan voor het millennium', zegt Jacobs.



Doordat de hoeveelheid zetmeel in de kolf genetisch gezien maximaal is, zijn er volgens de Groten de laatste vijftien jaar genetisch alleen met een betere celwandverteerbaarheid kleinere stapjes zijn gezet richting een hogere VEM.


Celwandbestanddelen

Daarbij nemen de celwandbestanddelen af, wat zich uit in een lagere NDF en ADF, vult Jacobs aan. 'Terwijl veredelaars vroeger vooral veel aandacht besteedden aan zetmeel, is er de laatste jaren ook een tendens om de verteerbaarheid van de celwanden te optimaliseren.' Jos Groot Koerkamp van Limagrain herkent dit: 'Hier hebben we ons als veredelaar voor ingezet.'

Groten ziet ook op een ander vlak mogelijkheden voor een hoger zetmeelgehalte. 'We richtten ons in 1996 bij de oogst op 32 tot 34 procent droge stof als optimaal. Dat is de laatste jaren veranderd. Het optimum is nu 35 tot 38 procent', zegt hij.


Behoefte aan zetmeel

Volgens de onderzoeker komt dit omdat er in de praktijk veel behoefte is aan zetmeel. Dat is meer aanwezig bij 38 procent droge stof. Daarbij komt dat een groene plant nog zetmeel produceert. 'Bij 32 procent droge stof heb je normaal gesproken 330 gram zetmeel per kilo droge stof. Bij 38 procent 380 tot 400 gram. Ook hier speelt een jaareffect. Zo was het dit jaar minder', licht Groten toe.

Het valt melkveehouder Henk van der Stok uit het Zuid-Hollandse Haastrecht op dat de rassen steeds vroeger zijn geworden. 'Zo'n 27 jaar geleden was het sporadisch als je de mais al in september kon oogsten. Nu is het normaal.' Van der Stok hoort bij de eerste deelnemers van het Maismeetnet, maar omdat hij een paar jaar geen mais heeft geteeld, stopte hij als deelnemer.


Bestrijdingsmiddelen

Wat de melkveehouder ook opvalt, is dat bestrijdingsmiddelen de afgelopen decennia zijn verfijnd. Vroeger kon je pas vanaf het vierde en vijfde bladstadium spuiten, nu is dat al bij het tweede en derde bladstadium. 'Ook met een lagere dosering. Je hebt nu minder spuitschade aan je planten', licht Van der Stok toe.

De komst van de staygreenrassen is een andere ontwikkeling die de Zuid-Hollandse melkveehouder heeft zien opkomen. 'Die planten bleven groener en zouden smakelijker zijn en meer voederwaarde hebben. Maar nu hoor ik daar niets meer van', zegt hij.


Stengels langer groen

Daar heeft melkveehouder Bert Wissels uit het Gelderse Hengelo een andere mening over. 'Ik heb juist de indruk dat deze trend is gebleven. Staygreenrassen zijn ingeburgerd. Vroeger waren de stengels veel houtiger en daardoor slechter verteerbaar', weet hij. Nu blijven de stengels bij veel rassen langer groen, waardoor ze beter door de koe worden opgenomen.

Ook Wissels is vanaf het begin betrokken bij het Maismeetnet. Hij weet nog goed dat mechanische onkruidbestrijding tot 2005 verplicht was voor het ontvangen van de maispremie via de MacSharry-regeling.

'Veel telers kochten toen een wiedeg, ik ook', lacht de Gelderse melkveehouder. 'Omdat de lezers van Nieuwe Oogst wisten dat ik zo'n ding had, werd ik destijds weleens gebeld. Boeren wilden bijvoorbeeld weten wanneer ze moesten wiedeggen.'

Bekijk meer over:

Lees ook

Marktprijzen

Meer marktprijzen

Laatste nieuws

Nieuwste video's

Kennispartners

Meest gelezen

Nieuw op MechanisatieMarkt.nl

Meer advertenties

Vacatures

Weer

  • Zaterdag
    8° / 7°
    30 %
  • Zondag
    8° / 5°
    20 %
  • Maandag
    7° / 1°
    10 %
Meer weer