Landbouw+stabiele+factor+voor+Nederlandse+economie
Nieuws
© Twan Wiermans

Landbouw stabiele factor voor Nederlandse economie

Het aandeel van de landbouw in de Nederlandse economie is in het afgelopen decennium vrijwel gelijk gebleven, ondanks een krimp van het aantal landbouwbedrijven. Het verdienmodel in de moderne landbouw staat wel onder druk. Dit meldt het CBS in het rapport De landbouw in de Nederlandse economie.

In 2019 bedroeg het aandeel van de toegevoegde waarde van de landbouw in het bruto binnenlands product (bbp) 1,4 procent, tegen 1,3 procent in 2009. In de voorgaande decennia nam het aandeel van de landbouw geleidelijk af. In 1995 was het aandeel van de landbouw in het bbp nog 2,8 procent.



Hoewel het volume van de toegevoegde waarde van de landbouw na 2009 minder sterk toenam dan dat van de gehele economie, daalde het aandeel van de landbouw niet verder. Dat dit aandeel na 2009 niet verder daalde, hing vooral samen met prijsontwikkelingen. De prijzen van landbouwproducten stegen na 2009 relatief snel.


Het aandeel van de landbouw in de Nederlandse economie was in 2018 met 1,4 procent een stuk groter dan in de buurlanden. Het aandeel lag in Nederland ook iets boven het EU-gemiddelde van 1,1 procent.


Werkgelegenheid gestabiliseerd

De werkgelegenheid in de landbouw is in de afgelopen jaren gestabiliseerd. Van eind jaren negentig tot en met 2012 daalde het aantal arbeidsjaren in de landbouw gestaag. Tussen 2012 en 2015 veranderde de werkgelegenheid in de landbouw nauwelijks. En in de jaren daarna nam het aantal arbeidsjaren iets toe tot 158 duizend arbeidsjaren in 2019.

Het aantal landbouwbedrijven is in de afgelopen decennia overigens wel aanzienlijk afgenomen. De trend van schaalvergroting en de afname van het aantal bedrijven zette in het midden van de twintigste eeuw al in. In 1950 had een doorsnee bedrijf 5,7 hectare, inmiddels is dit 32,4 hectare.



Die schaalvergroting leidt echter niet tot een hoger inkomen voor de boer. Het landbouwinkomen per arbeidsjaar liet in de periode 1995-2019 een grillig verloop zien. In de afgelopen 25 jaar is de landbouwproductie met een kwart gestegen, terwijl het reële inkomen in de agrarische sector lager ligt dan in 1995. In diezelfde tijd steeg het gemiddelde reële inkomen van werknemers in Nederland met 25 procent. Hieruit blijkt dat het verdienmodel in de moderne landbouw onder druk staat.


Afhankelijk van export

De Nederlandse landbouw is sterk afhankelijk van de export. Van elke euro die het agrocomplex in 2018 verdiende, werd 76 cent door de export opgebracht. Veelal worden onbewerkte landbouwproducten, zoals rauwe melk, eerst door de industrie verwerkt (bijvoorbeeld tot kaas) en vervolgens geëxporteerd.

De toegevoegde waarde van het totale agrocomplex bedroeg in 2018 circa 49 miljard euro. Daarmee draagt het agrocomplex, waaronder naast de landbouw ook de verwerkende voedings- en genotmiddelenindustrie valt, ongeveer 6,4 procent bij aan het bbp. Een deel van de activiteiten van het agrocomplex hangt samen met de verwerking van geïmporteerde grondstoffen, zoals cacao, granen en tabak.


Plantaardig versus dierlijk

De waarde van de totale productie van de landbouw bedroeg in 2019 bijna 29 miljard euro. Daarvan bestond 49,2 procent uit plantaardige productie en 38,5 procent uit dierlijke productie. Diensten en nevenactiviteiten waren goed voor de resterende 12,3 procent.

In het afgelopen decennium is het aandeel van plantaardige producten, dierlijke producten en diensten en nevenactiviteiten in de totale productiewaarde van de landbouw weinig veranderd. De productiewaarde van plantaardige producten was in 2019 ruim 26 procent hoger dan in 2009, die van dierlijke producten 25 procent.



In de periode voor 2009 groeide de productie van plantaardige producten veel harder dan die van dierlijke producten. De productie van plantaardige en dierlijke producten waren in 1995 nog gelijk aan elkaar wat betreft productiewaarde. Voor beide bedroeg deze destijds bijna 9 miljard euro.


Stikstof en broeikasgas

Net als andere sectoren van de economie draagt de landbouw bij aan de milieuvervuiling, onder meer door de uitscheiding van stikstof en fosfaten en door de emissies van broeikasgassen. In 2018 bedroeg de stikstofuitscheiding van de landbouw 503,5 miljoen kilo. Dat is 12,2 miljoen kilo meer dan in 2008.

De rundveesector is de grootste uitscheider van stikstof. De fosfaatuitscheiding daalde tussen 2008 en 2018 wel aanzienlijk. In 2018 werd 162 miljoen kilo fosfaten uitgescheiden door de landbouwsector, bijna 14 miljoen kilo minder dan in 2008.



Broeikasgassen die vrijkomen in de landbouwsector zijn kooldioxide (CO2), methaan (CH4) en lachgas (N2O). Om deze goed met elkaar te kunnen vergelijken en bij elkaar op te tellen, worden methaan en lachgas naar CO2-equivalenten omgerekend. De totale uitstoot van broeikasgassen door de Nederlandse landbouw was in 2018 vergeleken met 2008 weinig veranderd.



Bekijk meer over:

Weer

  • Zondag
    22° / 6°
    0 %
  • Maandag
    23° / 8°
    0 %
  • Dinsdag
    23° / 7°
    10 %
Meer weer