Benchmark+moet+sterfte+jonge+dieren+verminderen
Achtergrond
© Fotografie Twan Wiermans

Benchmark moet sterfte jonge dieren verminderen

Veehouders en de maatschappij zijn niet gelukkig met het percentage doodgeboortes en de sterfte van jonge dieren. De Raad voor Dieraangelegenheden (RDA) wil dat er voor verschillende sectoren en enkele populaire gezelschapsdieren een benchmark komt, waardoor fokkers van elkaar kunnen leren.

Deze zienswijze door de RDA werd maandag tijdens een webinar gepresenteerd en moet de zorg voor jonge dieren verbeteren. 'Het sluit aan bij de ideeën van het ministerie van LNV om te komen tot een integrale benchmark voor het houden van dieren. Op die manier kunnen die houders zien hoe ze presteren ten opzichte van anderen. En ze kunnen zien wat er mogelijk is om tot verbeteringen te komen', stelde demissionair minister Carola Schouten van LNV tijdens dit webinar.

De aandacht voor jonge dieren is niet nieuw. Het kwam eerder naar voren tijdens de 'De staat van het Dier', beschouwingen en opinies over de verschuivende relatie tussen mens en dier in Nederland, eveneens van de RDA. 'De sterfte van jonge dieren was destijds een schurende kwestie. Het roept veel maatschappelijke discussie op. Reden voor LNV om onze zienswijze te vragen ', stelt Bert van den Berg, RDA-lid en voorzitter van de zienswijze 'Zorg voor het jonge dier'.

Binnen de zorg voor het jonge dier gaat het erom wat de verantwoordelijkheden zijn van partijen in de keten als het over sterfte gaat. 'Wie is de eigenaar van het probleem en wie kan of moet dit oplossen? De ondernemer is de eerste verantwoordelijke', schetst Van den Berg. Ook zijn systeemfactoren belangrijk die bij de sterfte van jonge dieren in de weg staan.

Tekort aan zorg wordt gelinkt aan economische druk

Bert van den Berg, RDA-lid en voorzitter van de zienswijze 'Zorg voor het jonge dier'

Bij landbouwhuisdieren werd gefocust op kalf, big, geitenlam, kuiken en konijn. Bij de gezelschapsdieren draaide het om de kitten, de pup en het konijn. Per diercategorie werd de problematiek uitgediept en werden deskundigen geraadpleegd om tot oplossingsrichtingen te komen.


• Lees ook de reactie van voorzitters Linda Janssen van POV , Wil Meulenbroeks van LTO Melkveehouderij en Jos Tolboom van LTO Geitenhouderij

Van den Berg vindt het nodig dat er iets gebeurt. Het sterven van een jong dier leidt tot ongemak. 'Niet alleen voor de burger, maar ook voor de veehouder. Het gaat om een dier dat nog niet zijn bestemming heeft bereikt. Het kan een indicatie zijn van een tekort aan zorg. En vaak wordt verondersteld dat daar economische druk achter zit. Bijvoorbeeld omdat een dier van geen of weinig waarde is voor de houder.'

Motivatie essentieel

Volgens hoogleraar Henk Hogeveen van Wageningen University & Research is het belangrijk om de motivatie voor de zorg te vinden om benchmarks in te zetten. 'De waarde van het dier moet worden gelinkt aan motivatie. Dat speelt bijvoorbeeld bij jonge stierkalveren op melkveebedrijven en bokjes op geitenbedrijven, die heel weinig waarde vertegenwoordigen. De kosten voor de zorg wegen hier niet tegenop. Denk ook aan de tijd die de zorg rond het afkalven kost.'

Als ondernemer heb je volgens Hogeveen wel de plicht om voor het dier te zorgen. 'Het hoort bij maatschappelijk verantwoord ondernemen. Dit betekent dat je als ketenpartners een gezamenlijke verantwoording hebt. En daar hoort ook een gezamenlijke financiering bij.'

Van den Berg zegt dat de oorzaken van sterfte multifactoreel zijn. Denk aan genetica, het geboorteverloop en het klimaat. 'Er is dus niet één oplossing. Sterfte komt voor bij alle systemen en alle houders. Zowel bij grote, intensieve veehouderijsystemen als bij kleine extensieve. Wel is het belangrijk dat de houders inzetten op de zorg voor het individuele dier.'

De voorzitter van de zienswijze stelt daarop dat het niet reëel is om de sterfte onder jonge dieren tot 0 procent te reduceren. 'Wel moeten ondernemers met de best mogelijke zorg een zo laag mogelijk percentage nastreven. Maar er is altijd sprake van een beetje sterfte en soms is de situatie van een dier dermate ernstig, dat het beter uit zijn lijden kan worden verlost.'

Verbetering is mogelijk

Wel signaleert Van den Berg variatie in diersterfte tussen veehouders en bij een veehouder tussen rondes. Die variatie geeft aan dat er ook mogelijkheden zijn om te verbeteren. Een groot deel van de oplossing zit 'm in kennis. Zo spelen bij kalveren bijvoorbeeld snelle biestverstrekking en goede hygiëne een belangrijke rol.

'Via onderlinge vergelijking kunnen dierhouders veel van elkaar leren. Velen denken te weten hoe het moet. Maar omstandigheden, kennis en mogelijkheden kunnen veranderen. En wellicht zijn er door de jaren heen verkeerde gewoontes ingesleten', besluit Van den Berg.

Burger accepteert sterfte, net als veehouder

Hoogleraar Henk Hogeveen van Wageningen University & Research ziet een verschil in perceptie van sterfte van jonge dieren, hoewel dit voor niemand leuk is. 'Een veehouder zorgt voor zijn dieren en haalt daar een inkomen uit. Hij accepteert de sterfte als een noodzakelijk kwaad. De burger accepteert sterfte ook, maar moet ervan overtuigd zijn dat er voor de dieren goed is gezorgd.' Egbert Knol, research director bij Topigs Norsvin, vult aan: 'Nakomelingen zijn per definitie gewenst, anders lieten we ze niet geboren worden. Maar er moet niet te eenzijdig worden gefokt.' Als een extra big per worp wordt geboren, mag dit niet ten koste gaan van extra sterfte. Bij fokken op extra biggen per worp, zoals nu gebeurt, moeten die ook kunnen overleven, benadrukt Knol. 'En die biggen moeten, zoals in de zienswijze staat, een eigen speen hebben. In de praktijk blijkt dat er in vier jaar tijd 1,1 extra geboren big is bijgekomen en er is ook 1,1 big meer gespeend.'

Bekijk meer over:

Weer

  • Zondag
    15° / 9°
    50 %
  • Maandag
    15° / 8°
    50 %
  • Dinsdag
    15° / 8°
    50 %
Meer weer