Samenstelling mais verandert bij opslag

De verse maiskuil heeft een andere voederwaarde dan een kuil die al tot de zomer in de bult zit. Het is een van de aspecten die speelt bij waarde die mais heeft in het rantsoen van de koe en waar de melkveehouder rekening moet houden.

Pieter StokkermansHet groeiseizoen is ook een van de factoren die de kwaliteit van mais bepalen, begint productmanager veehouderij Mark de Beer van Limagrain Nederland. ‘Vorig jaar verliep de inzaai perfect. De opkomst en startgroei werden bemoeilijkt door het koude en droge voorjaar. Het najaar werd weer geteisterd door neerslag en weinig zon, waardoor de rijping traag verliep. De oogst was dan ook laat, terwijl niet alle mais rijp was.’
De voederwaarde is dit jaar door dat groeiseizoen lager dan gemiddeld, 980 VEM, tegen 999 VEM in 2014, meldt laboratorium Eurofins.
De Beer: ‘Ondernemers zullen als reactie dit jaar de focus hebben op zeer vroege rassen. Daarnaast zal er bij de rassenkeuze aandacht zijn voor voldoende VEM-opbrengst per hectare en, vanwege de lokale greensnap in 2015, stevigheid.’
VEM is niet heilig, vindt Wilfried van Straalen, hoofd Herkauwers van De Schothorst in Lelystad. ‘Het blijft de vraag of de koe de VEM ook kan omzetten in melk. Denk bijvoorbeeld aan de hoeveelheid zetmeel, wat een positieve bijdrage levert aan de energiebalans. Zo past mais beter aan het begin van de lactatie, terwijl het aan het eind kan leiden tot vervetting. ‘
Voor een goede benutting is meer kennis over de kuil nodig dan enkel de VEM-waarde, vervolgt Van Straalen. Zo wordt de hoeveelheid energie in de vorm van VEM bepaald door de hoeveelheid anorganische stof (as) en de verteringscoëfficient van de organische stof. ‘Zetmeel is altijd voor 97 procent verteerbaar, dat is daarmee een constante factor, en levert daarmee een enorme bijdrage aan de hoeveelheid energie. Een stuk lastiger is het bijvoorbeeld bij de celwandverteerbaarheid, NDF, die erg variabel is.’
De Beer onderschrijft de stelling van Van Straalen: ‘Het is daarom jammer dat die verteerbaarheid niet meer wordt meegenomen in de het rassenonderzoek.’
De bewaarduur heeft een belangrijk effect op de voederwaarde van de kuil. Dit komt ook naar voren uit onderzoek uitgevoerd door de Schothorst en BLGG, de voorloper van het huidige Eurofins. De samenstelling verandert maar weinig en de VEM-waarde is relatief constant, maar de fermentatie neemt in de loop van de tijd toe als gevolg van het inwerken van zuur tijdens de bewaarduur.
Een verse maiskuil heeft daardoor een hoge zetmeelbestendigheid terwijl die waarde bij een oude kuil relatief laag is. Vlak na oogst heeft een gemiddelde maissilage nog 125 gram bestendig zetmeel en dat daalt tot 85 gram bij maissilages in de zomer.
Bestendig zetmeel, dat in de darm beschikbaar komt, wordt in de kuil door enzymen afgebroken tot fermenteerbaar eiwit en propionzuur. Die zijn juist in de pens afbreekbaar.
Het effect van bewaring op de voerderwaarde is volgens Van Straalen een extra aandachtspunt in het najaar, als een bedrijf overstapt van oude kuil naar verse kuil.
‘De oude kuil heeft weinig bestendig zetmeel en de nieuwe veel. Hierdoor komt meer zetmeel vrij in de dikke darm, wat kan leiden tot een darmverzuring. Het is daarom goed om de overgang van oude kuil naar nieuwe kuil geleidelijk door te voeren, zodat het dier kan wennen.’

Weer

  • Woensdag
    22° / 11°
    10 %
  • Donderdag
    23° / 12°
    10 %
  • Vrijdag
    25° / 12°
    10 %
Meer weer