Rassenkeuzetoets+moet+aardappelmoeheid+voorkomen
Achtergrond
© Nieuwe Oogst

Rassenkeuzetoets moet aardappelmoeheid voorkomen

Valplekken in zetmeelaardappelen zijn door virulente populaties aardappelmoeheid alleen te voorkomen met een rassenkeuzetoets. Daardoor is het juiste ras op het juiste perceel te telen. Kwekers werken aan rassen met nieuwe resistenties. Maar de eerste resultaten zijn pas na zeven à tien jaar te verwachten.

In het zetmeelaardappeltelend gebied is sinds een aantal jaren een toename van 'hoge' besmettingen met aardappelmoeheid (AM). Voor de organisatie van de Innovatiedag in de Veenkoloniën reden om hier met een workshop aandacht voor te vragen. De dag, vorige week donderdag in Valthermond, werd bijgewoond door zo'n tweehonderd akkerbouwers.

'Het probleem van AM is groeiende', zegt Albert Wolfs van het HLB in Wijster. 'We zien meer valplekken ontstaan. Daar is de NVWA van op de hoogte. Er is niet één oplossing. Alleen resistente rassen telen is niet voldoende. We moeten er met zijn allen scherp op zijn, monitoren door gericht te bemonsteren, AM onder controle houden en valplekken voorkomen.'

Twee soorten

Bij AM gaat het om twee soorten, legt de teeltadviseur uit: Globodera rostochiensis en Globodera pallida. Bij rostochiensis gaat het om de pathotypen ro1, ro2/ro3, ro4 en ro5, bij pallida pa2, pa3 en de Emsland nematode. De laatste zorgde in het naburige Duitsland in 2015 voor een resistentiedoorbraak van AM.

'Rassen moeten makkelijker en zekerder opbrengst halen'

Johan Hopman van Averis Seeds

Wolfs: 'Het grootste verschil tussen rostochiensis en pallida is dat bij rostochiensis de resistentie bij één gen ligt en bij pallida bij meerdere. Eén gen werkt meestal goed en geeft een doding tot 80 procent. Bij meerdere genen hangt de werking af van de populatie en die kunnen per perceel verschillend zijn.'

Andere reactie

Een ras als bijvoorbeeld Seresta kan op het ene perceel met een pallida-besmetting een andere reactie geven dan op een ander perceel. Bij pallida is namelijk veel genetische variatie in de populaties. 'Daar komt bij dat een AM-populatie binnen een perceel niet homogeen is en kan wijzigen bij het telen van elk ras', geeft Wolfs aan.

Bij een hoge besmetting heeft een teler een tolerant ras nodig, omdat deze een geringere schadegevoeligheid heeft. Wil de teler ook van de vermeerdering van aaltjes af, dan moet het ras ook resistent zijn. 'Voor een goede rassenkeuze is het daarom van belang om te weten wat er aan de hand is', zegt de teeltadviseur.

Het HLB heeft daarvoor de rassenkeuzetoets ontwikkeld. In opdracht van Avebe, LTO en TBM zijn een twaalftal verdachte populaties getest op vermeerdering op negentien zetmeelaardappelrassen. Dit maakt het mogelijk om met bemonstering hoge populaties voor te blijven en valplekken te voorkomen. 'Met een goede rassenkeuze kom je niet voor verrassingen te staan.'

Uitselectie

Tot voor kort was AM met resistente rassen redelijk onder controle te houden. Bemonstering vonden telers vaak niet nodig. 'Door uitselectie zijn populaties aan het veranderen en kunnen ze vermeerderen op een resistent ras', legt Wolfs uit. 'Alleen met een goede combinatie van ras en populatie is een AM-besmetting te beheersen. Een rassenkeuzetoets en advies is eigenlijk de enige mogelijkheid om vermeerdering te voorkomen.'

Bij een rassenkeuzetoets vallen bij verschillende populaties andere rassen door de mand. In veel gevallen blijkt dat maar enkele rassen goed geschikt zijn voor een bepaald perceel. 'Op sommige percelen komen we met de toets tot de conclusie dat er geen aardappelen zijn te telen. Voor die percelen is behoefte aan nieuwe rassen.'

Vermarktbare kwaliteit

Om de teelt van zetmeelaardappelen ook in de toekomst gezond en rendabel te houden, werken Averis Seeds en HZPC in het IDA-project samen aan de ontwikkeling van nieuwe, duurzame rassen. 'We zijn op zoek naar rassen met vermarktbare kwaliteit, hogere opbrengst, hoge resistentie en tolerant tegen stressfactoren', geeft Johan Hopman van het kweekbedrijf aan.

Bij de nieuwe AM-populaties is het streven van Averis Seeds om binnen zeven jaar tijd met nieuwe rassen zichtbaar resultaat te boeken. Binnen tien jaar tijd zou er een nieuw ras voor de praktijk beschikbaar kunnen zijn. Met de huidige beschikbare resistentiebronnen is dat mogelijk, denkt Hopman. 'Voor andere, nieuwe resistentiebronnen hebben we meer dan tien jaar nodig.'

DNA-merkers

Sinds 2010 werkt Averis Seeds met DNA-merkers. Daarmee is het mogelijk om in een vroeg stadium zaailingen te beproeven op opbrengst en resistentieniveaus. Vanaf jaar zeven kan het kweekbedrijf beginnen met de opbouw van pootgoed en praktijkervaring opdoen in het raswaardeprogramma. 'Met die nieuwe werkwijze hebben we tien keer meer potentieel op een nieuw ras', geeft Hopman aan.

Averis Seeds hoopt zo sneller vooruit te komen op het gebied van resistentie- en kwaliteitskenmerken. 'Wie is er 100 procent tevreden met bestaande rassen? We hebben nieuwe problemen en daar willen we wat aan doen', zegt Hopman. 'Gemiddeld wordt circa 60 procent van de genetische potentie in de praktijk gerealiseerd.'

Bij het kweekwerk is Averis Seeds niet op zoek naar een gevoelig type zoals een Formule 1-wagen. 'We hebben liever een Volkswagen Passat. Niet bijzonder, maar wel degelijk. Het staat een beetje model voor ons kweekwerk. Rassen moeten makkelijker en zekerder opbrengst halen.'

Bekijk meer over:

Weer

  • Donderdag
    6° / 5°
    90 %
  • Vrijdag
    7° / 4°
    90 %
  • Zaterdag
    4° / 0°
    10 %
Meer weer