Met wisselteelt minder middelen en mest nodig voor mais

Mais kan worden geteeld met minder input en verliezen. Dat biedt kansen voor doelsturing in deze teelt. Dit is een van de conclusies die naar voren komt op de praktijkdag duurzame maisteelt op proefboerderij De Marke in het Gelderse Hengelo. Daarnaast komen ook kansen en bedreigingen bij mechanische onkruidbestrijding voorbij en is er een discussie over mestgift en -toediening. De kennis is er. Nu moet de uitrol naar de praktijk volgen.

Doelsturing vraagt om een andere manier van kijken naar de maisteelt.
© Burt Sytsma

Waterkwaliteit, ammoniak, klimaat, biodiversiteit, het is een greep uit thema’s die op dit moment spelen in de Nederlandse landbouw. Bij innovatiecentrum De Marke kijken ze hoe met kernsets van kritische prestatie-indicatoren (KPI’s) daarin doelsturing mogelijk wordt voor de praktijk.

Doelsturing vraagt om een andere manier van kijken naar de maisteelt, stelt onderzoeker Wim van Dijk van Wageningen University & Research. Niet langer sturen op vaste normen, maar op wat er onderaan de streep gebeurt op een bedrijf. ‘We proberen bij De Marke om benchmarks op KPI’s te maken. Dan kiezen we eerst een thema en kijken we vervolgens hoe we dit in beeld kunnen breng of kunnen meten. Daarna kijken we wat in de praktijk haalbaar is, zodat de boer niet wordt afgerekend op iets waar hij geen invloed op heeft.’

Een voorbeeld van een KPI waar ze bij De Marke al heel ver in zijn, is stikstof (N)-residu. Dat is wat er overblijft aan beschikbare stikstof na oogst van een teelt zoals mais. Van Dijk: ‘Je kunt sturen op N-residu aan het einde van de teelt. Wat niet uitspoelt, is benut. Als je een hoog N-residu hebt, dan heb je eigenlijk meer stikstof gegeven dan het gewas nodig heeft.’

Volgens de onderzoeker is het belangrijk om rekening te houden met de nalevering, als je een wisselteelt toepast. Dan is volgens hem nog veel stikstof beschikbaar uit de zode. ‘Als dat eerst wordt benut, kun je met minder mest toe. De mest die je geeft, zou kunnen bestaan uit renure of bemesting in de rij’, legt hij uit.

Meer onderzoek

Wel geeft Van Dijk aan dat nog niet alle KPI’s goed genoeg zijn ontwikkeld. Dat vergt eerst nog meer onderzoek. ‘De spreiding van N-residu ligt bij De Marke tussen de 30 en 60 kilo per hectare over de afgelopen drie jaar. De spreiding bij VK-Oost ligt tussen de 10 en 250 kilo.’ Hiermee wil hij aangeven dat het dus erg afhankelijk is van het management hoe goed je hierop scoort, maar tegelijk dat er zeker wat mogelijk is.

Volgens de onderzoeker wordt het risico op uitspoeling na scheuren van grasland het beste beperkt door drie factoren. Ten eerste moet het te scheuren grasland niet ouder zijn dan vier jaar, ook wordt een vanggewas na het hoofdgewas aangeraden en als derde factor wordt de manier van bemesten aangesneden.

‘Na het scheuren heeft je mais geen dierlijke mest meer nodig; die kun je beter gebruiken op je grasland. Dan haal je per kuub mest meer kilo’s droge stof van het land’ stelt van Dijk. En verder: ‘Met een scherp bemestingsplan en een goed vanggewas kun je de landbouwkundig beschikbare stikstof verhogen.’

Harry Toetert ziet als projectleider bij De Marke dat bemesting zeker een belangrijk punt is. ‘Daarom telen we hier ook mais; om te kijken hoe we dit met zo min mogelijk input goed kunnen verbouwen. Bijvoorbeeld hoe we omgaan met minder water. Hoe zetten we de beschikbare hoeveelheid dan zo efficiënt mogelijk in?’ Hier lopen dan ook onderzoeken naar, net zoals naar teelt zonder chemische onkruidbestrijding.

Projectleider Harry Toetert presenteert de onderzoeksresultaten.
Projectleider Harry Toetert presenteert de onderzoeksresultaten. © Anouk Hemmink


Minder water nodig voor mais Per kilo droge stof heeft mais tussen de 175 en 240 liter water nodig. Dat is een stuk minder dan een Engels raaigras, wat 350 tot 550 liter vergt. Volgens Peter Schrijver van waterschap Rijn en IJssel blijven water en waterkwaliteit in elke teelt van belang. ‘We zijn druk om samen te kijken hoe we water langer kunnen vasthouden en de waterkwaliteit nog beter maken.’

Mulch-, spit- en zaaicombinatie. De bewerkingen kunnen zo in één werkgang worden uitgevoerd.
Mulch-, spit- en zaaicombinatie. De bewerkingen kunnen zo in één werkgang worden uitgevoerd. © Anouk Hemmink

Kunnen en willen we naar alleen nog maar mechanische onkruidbestrijding in de mais? Er zijn innovaties en er is veel mogelijk als je op het juiste moment op het land kunt zijn.

Het is zeker mogelijk om mais te telen zonder gewasbeschermingsmiddelen, zegt biologisch melkveehouder Niek Heijink uit het Gelderse Aalten. ‘Nu gaat dat heel goed, maar dat komt ook omdat mijn buurmannen wel chemische onkruidbestrijding toepassen. Als dat stopt, weet ik niet wat met de onkruiddruk gebeurt.’

Daarnaast is het bij mechanische onkruidbestrijding volgens experts belangrijk om er op exact het goede moment bij te zijn. Onderzoeker Geert Stevens van Innovatiecentrum De Marke verwoordt het als volgt: ‘Mechanische onkruidbestrijding is sterk tijdsgebonden en met een wiedeg of schoffel ben je erg weersafhankelijk. Een loonwerker moet eigenlijk altijd startklaar staan. Biologische maistelers hebben geen keuze, maar voor gangbare telers is niet-chemische onkruidbestrijding vaak nog te duur.’

Op de velddemonstratie wordt een aantal innovaties getoond. Zo is er een mulch- spit- en zaaicombinatie waarbij alle drie bewerkingen in één werkgang kunnen worden uitgevoerd. Ook is de autonome FarmDroid van de partij, die onder andere zelf kan zaaien, schoffelen en spotsprayen. Een andere blikvanger is een drone die bijvoorbeeld vanggewassen in de mais kan zaaien met een capaciteit van 4 tot 6 hectare per uur. Het grote voordeel is dat dit ook kan als de mais al hoger staat.

Opschaling moeilijk

Volgens een aanwezige loonwerker wordt grootschalig mechanische onkruidbestrijding uitvoeren wel moeilijk. ‘Je mist de capaciteit, Dan moet je iemand hebben die altijd klaarstaat met een combinatie om te gaan wiedeggen of schoffelen. Een dag te laat kan groot verschil maken. Zolang het nog met de spuit mag, is dat voor ons makkelijker.’

Bij De Marke wordt volgens projectleider Harry Toetert gekeken naar een combinatie van zaken uit het ‘gereedschapskistje’ van handelingen. Zo wiedeggen ze de mais voor en na de opkomst, maar dit is weersafhankelijk en het slaagt niet altijd helemaal.

‘Daarom schoffelen we ook nog een keer en dat combineren we met de onderzaai. We spuiten nog wel middelen met de rijenspuit. Daarmee gebruiken we ongeveer 10 procent ten opzichte van volvelds spuiten’, stelt Toetert. In combinatie met de gras-maisrotatie zorgt dit voor minder onkruiddruk en houdt dit het percentage organische stof op peil.

Een regeneratieve boer deelt ook nog graag zijn ervaringen met middelen uit zijn ‘gereedschapskistje’. ‘Wij gebruiken compostthee, waar veel bacteriën in zitten. Dit is goed voor de schimmels en de wortels in de bodem. Ik zie dit als een 1 plus 1 is 4. Het is geen vervanger van kunstmest of dierlijke mest, maar zorgt ervoor dat alle meststoffen, inclusief nalevering uit de zode, beter worden benut.’

CLM betekent milieubelasting CLM Onderzoek en Advies berekent de milieubelasting van gewasbeschermingsmiddelen. Dit doen ze met openbare informatie van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Gekeken wordt naar het effect op oppervlaktewater, bodemleven en grondwater. Agrariërs kunnen op basis van de uitkomsten keuzes maken welke middelen zij gebruiken.

Lees ook

Marktprijzen

Meer marktprijzen

Laatste nieuws

Nieuwste video's

Kennispartners

Meest gelezen

Nieuw op MechanisatieMarkt.nl

Meer advertenties

Vacatures

Weer

  • Vrijdag
    34° / 19°
    20 %
  • Zaterdag
    28° / 20°
    20 %
  • Zondag
    28° / 16°
    5 %
Meer weer