Economische gevolgen stoppersregelingen kunnen 'regionaal aanzienlijk' zijn
De economische gevolgen van de vrijwillige bedrijfsbeëindigingsregelingen voor veehouders kunnen regionaal aanzienlijk zijn. Vooral in gebieden met een concentratie van veehouderijen, zoals in delen van Gelderland, Overijssel, Noord-Brabant en Limburg, kan de werkgelegenheid dalen. Dat concludeert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).
De studie is een deelrapport van de Monitoring en Evaluatie Stikstofreductie en Natuurverbetering, waaraan ook het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en Wageningen University & Research (WUR) meewerken. Dit rapport is opgesteld op verzoek van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
Het PBL schat het totaalaantal deelnemers aan de regelingen op 1.000 tot 1.500 ondernemers, verdeeld over de melkveehouderij, varkenshouderij, pluimveehouderij en kalverhouderij. Veehouderijbedrijven die deelnemen aan de beëindigingsregelingen komen vooral voor in de regio's met een combinatie van grote natuuropgaven en veel veehouderijbedrijven.
In gemeenten in Noord-Brabant, Limburg en Gelderland stoppen in de loop van 2025 en 2026 dan ook relatief veel bedrijven. De tien gemeenten met de meeste aanmeldingen en deelnemers aan de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en de variant voor piekbelasters (Lbv-plus) zijn: Venray, Ede, Barneveld, Land van Cuijk, Deurne, Nederweert, Apeldoorn, Putten, Horst aan de Maas en Asten.
Werkgelegenheid
Als alle bedrijven deelnemen, leidt dit in deze gemeenten mogelijk tot een aanzienlijke afname van de toegevoegde waarde en werkgelegenheid van de primaire landbouw. Afhankelijk van de gemeente daalt de toegevoegde waarde met 9 tot 44 procent en de werkgelegenheid met 11 tot 44 procent. Als het PBL uitgaat van een lager aantal deelnemende bedrijven, dan gaat het toch al om 7 tot 28 procent voor toegevoegde waarde en 6 tot 28 procent voor werkgelegenheid.
De mate van impact op de regionale economie en arbeidsmarkt wordt daarnaast bepaald door de effecten op andere bedrijven in de keten en het relatieve belang van het veehouderijcomplex in een regio. Als in een bepaalde regio een groot aantal veehouderijen stopt, kunnen andere bedrijven in de keten inkrimpen, stoppen of hun activiteiten verplaatsen. Hiermee gaat mogelijk een deel van de economische waarde van de keten voor de regio verloren.
Het PBL zet daarbij wel kanttekeningen. Zo kunnen ondernemers en werknemers zich aanpassen, door bijvoorbeeld activiteiten in andere sectoren te ontwikkelen of in andere sectoren te gaan werken. Daarnaast vormt het veehouderijcomplex in de meeste gemeenten een bescheiden onderdeel van de regionale economie.
Verwerkende bedrijven
Verwerkende bedrijven en dienstverlenende bedrijven (dierenartsen en veehandelaren) verliezen mogelijk omzet. Hierdoor bestaat het risico dat de krimp van de Nederlandse veestapel leidt tot sluitingen van productielocaties, verlies van schaalvoordelen en hogere productiekosten.
Het vaststellen van de kritische grens waaronder de primaire productie het gehele agrocomplex verzwakt, is complex en varieert per sector en type bedrijf, stelt het PBL. Wat betreft de impact op werknemers is het van belang om de rol van arbeidsmigranten in de agrosector mee te nemen, gezien hun belangrijke bijdrage aan de sector en de maatschappelijke discussie over de kosten en baten van arbeidsmigranten die steeds prominenter wordt.
Het aandeel arbeidsmigranten in de agrarische sector steeg tussen 2006 en 2020 van 27 procent naar 37 procent, met het hoogste aandeel van 51 procent bij slachterijen. Een krimp van de werkgelegenheid kan aanzienlijke sociale en economische gevolgen hebben voor deze groep werknemers, zoals meer barrières voor het vinden van nieuw werk en verlies van huisvesting die vaker gebonden is aan een dienstverband.
Hierbij geldt dat de werkelijke impact waarschijnlijk minder groot is dan de gepresenteerde schattingen. Van de meeste bedrijven kan worden verwacht dat zij zich (deels) aanpassen aan veranderende omstandigheden. Slachterijen kunnen de binnenlandse productievermindering compenseren door te werken met importvlees, terwijl internationaal georiënteerde veevoerleveranciers hun afzet kunnen heroriënteren naar markten buiten Nederland.
Totale economie
De gevolgen van de bedrijfsbeëindigingsregelingen voor de totale economie in Nederland zijn beperkt, stelt het PBL. De agrarische sector draagt 7 procent bij aan de economie. Een kwart daarvan bestaat uit de veehouderij. Een krimp van de veestapel kan leiden tot een daling van 1,7 tot 3,1 procent in toegevoegde waarde en 1,7 tot 3,0 procent in werkgelegenheid.
De komende jaren wordt duidelijk hoe groot de effecten echt zijn. Naarmate meer veehouderijen deelnemen aan een bedrijfsbeëindigingsregeling en zijn gestopt, krimpt de veestapel verder. Veel beëindigingsregelingen worden in 2026 afgerond, waardoor de effecten op de toegevoegde waarde en werkgelegenheid vooral in die periode zichtbaar worden.
Bekijk meer over:
Lees ook
Marktprijzen
Meer marktprijzen
Laatste nieuws
Nieuwste video's
Kennispartners
Meest gelezen
Nieuw op MechanisatieMarkt.nl
-

John Deere 6120M trekker (REU) #779850
Gebruikt, € 83.500
-

Kuhn GF 10803
Gebruikt, P.O.A.
-

John Deere 5075E trekker 12/12 (HIL) #780325
Gebruikt, P.O.A.
-

Fendt 209S Vario TMS Verkocht
2010, P.O.A.
Vacatures
Regiohoofd Noord Bedrijveninformatienet
Wageningen University & Research - Drachten, Smallingerland
Administratief medewerker Akker,- Land of Tuinbouw
Wageningen University & Research - Wageningen
Voorzitter vakgroep Geitenhouderij
LTO Nederland - NL
Bestuurslid Vakgroep Konijnenhouderij
LTO Nederland - NL
Weer
-
Zaterdag9° / 4°40 %
-
Zondag12° / 0°20 %
-
Maandag10° / 4°60 %















