Emissies verlagen met ‘perfecte’ graskuil

Een goede graskuil is de basis voor een gezonde veestapel en een goede melkproductie. Maar wat als diezelfde graskuil óók bijdraagt aan minder ammoniak- en methaanemissies? Het kan, met de Graskuil van de Toekomst.

Volgens Doede Hettinga valt winst te behalen door consequent te sturen op het eiwitgehalte in het voer.
© Marcel van Kammen

Met de Graskuil van de Toekomst kunnen melkveehouders in zeven stappen planmatig toewerken naar de ideale eerste snede, passend bij hun bedrijf. De methodiek is ontwikkeld binnen het project Netwerk Praktijkbedrijven, waarin melkveebedrijven met maatregelen werken aan het verlagen van ammoniak- en methaanemissies. Het sturen op kuilkwaliteit is daarbij een van de knoppen waar ondernemers aan kunnen draaien.

Een van de deelnemers aan Netwerk Praktijkbedrijven is Doede Hettinga uit het Friese Klooster-Lidlum. Op een huiskavel van 71 hectare houdt hij 125 koeien. Daarbij hanteert hij als stelregel dat hij zijn dieren wil melken op basis van de producten die op het eigen bedrijf groeien: de opbrengst van zijn percelen blijvend grasland, aangevuld met wat mais.

Sturen op eiwitgehalte

Om emissies zoveel mogelijk te verlagen rijdt Hettinga zijn mest verdund uit en maakt hij in de stallen gebruik van een mestrobot met sproeisysteem. Winst wordt ook behaald door de koeien minimaal 1.500 uur per jaar te weiden én door consequent te sturen op het eiwitgehalte in het voer. ‘Het kost de koe energie om een teveel aan eiwit te verwerken’, vertelt de melkveehouder.

‘Daarom streef ik naar een ruweiwitgehalte van rond de 150 gram per kilo droge stof. Je kunt daar bij de eerste snede goed op sturen. In de eerste plaats door je bemesting erop af te stemmen. En door een vinger aan de pols te houden. Zelf neem ik gedurende het groeiseizoen wekelijks een vers grasmonster om een indicatie te hebben waar ik met het eiwitgehalte zit.’

Ik neem wekelijks een vers grasmonster om een indicatie te hebben van het eiwitgehalte

Doede Hettinga, melkveehouder in Klooster-Lidlum (FR)

Om zoveel mogelijk kilo’s droge stof van het land te halen, is het zaak om op het juiste moment te maaien en te kuilen. Daarbij geldt: hoe droger, hoe beter. Het streven is een droge stofgehalte van 50 à 60 procent in verband met hogere Darm Verteerbaar Eiwit (DVE) en minder onbestendig eiwit balans (OEB).

‘Ik laat het gras ook altijd wat korter hakselen, op 12 millimeter’, vervolgt Hettinga. ‘Daardoor zit er minder lucht in. En om broei te voorkomen moet de kuil niet te hoog worden. De sleufsilo op mijn bedrijf is ongeveer anderhalve meter hoog en tien meter breed.’

Het resultaat van Hettinga’s gerichte aanpak mag er zijn: in een paar jaar tijd is het ureumgehalte in zijn melk gehalveerd, tot een gemiddelde van 13. En dankzij het sturen op eiwit is de ammoniakemissie op Hettinga’s bedrijf sinds 2018 met 40 procent gedaald. Er is dus veel mogelijk, ook al zijn er altijd factoren waar een ondernemer minder vat op heeft. Hettinga: ‘Op de weersomstandigheden heb je geen invloed. En je zult toch ook dingen moeten inplannen, zoals met je loonwerker.’ Om melkveehouders te helpen bewuster te sturen op de kwaliteit van de graskuil, is een gids ontwikkeld.

Lees ook

Marktprijzen

Meer marktprijzen

Laatste nieuws

Nieuwste video's

Kennispartners

Meest gelezen

Nieuw op MechanisatieMarkt.nl

Meer advertenties

Vacatures

Weer

  • Zondag
    22° / 11°
    10 %
  • Maandag
    25° / 14°
    20 %
  • Dinsdag
    18° / 14°
    90 %
Meer weer