André Hoogendijk: 'Ook in de akkerbouw zetten we stap naar voren'

De discussie over het toekomstperspectief van de land- en tuinbouw spitst zich misschien vooral toe op de veehouderij, maar zal zeker ook niet onopgemerkt aan de plantaardige sector voorbijgaan. ‘Ook die keten gaat in transitie’, stelt directeur André Hoogendijk van Brancheorganisatie (BO) Akkerbouw. De vereniging werkt aan een eigen toekomstperspectief.

Andr%C3%A9+Hoogendijk%3A+%27Ook+in+de+akkerbouw+zetten+we+stap+naar+voren%27
© Hans Dijkstra

Bevlogen en bescheiden is Hoogendijk. Sinds drie jaar werkt hij als directeur voor de brancheorganisatie waarin zowel boeren als ketenpartijen zijn vertegenwoordigd. Hij neemt ook graag het heft in eigen handen en vindt dat de sector dat ook veel meer zou moeten doen. ‘Als je rust wilt, moet je mij niet bellen’, stelt hij.

Als je rust wilt, moet je mij niet bellen

André Hoogendijk, directeur BO Akkerbouw

De directeur van BO Akkerbouw gaat prat op de emancipatie van de akkerbouw. ‘We moeten een stap naar voren zetten. Het is raar dat we met z’n allen afwachten tot de overheid met een toekomstperspectief komt. We moeten zelf achter het stuur gaan zitten’, vindt hij.

Te afwachtend

Hoogendijk vindt dat de land- en tuinbouw te veel verwacht van de overheid en zelf te afwachtend is. ‘Het kabinet moet de kaders schetsen waarbinnen we land- en tuinbouw kunnen bedrijven zodat de sector daar vervolgens zelf invulling aan kan geven. We kijken naar waar de beweging zit en hoe we in een keten een stap naar voren kunnen zetten’, licht hij toe.

‘De hele keten moet in transitie. Niet alleen de boer of tuinder. Die invulling moeten we met elkaar willen maken. Het is toch juist aan de sector zelf om te gaan over de eigen toekomst?’ stelt Hoogendijk.

Werkt u aan een eigen landbouwperspectief voor de akkerbouw?

‘Ja, in antwoord op de bekende brief van voormalig landbouwminister Henk Staghouwer hebben we besloten om zelf met een toekomstperspectief te komen. Wij willen de komende jaren aantonen dat we als sector relevant zijn voor onze omgeving en voor de samenleving. Dat geeft ons bestaansrecht. Ook als ketens hebben we elkaar de komende jaren hard nodig. We verwachten dit najaar onze perspectiefnota te presenteren.’

Waarom vindt u dat zo belangrijk?

‘Ook de plantaardige sector kent genoeg uitdagingen. De landbouw bevindt zich in het oog van een transitiestorm. De maatschappelijke discussie die nu vooral de veehouderij aangaat, raakt ook de akkerbouw. Het is onze primaire taak om onze leden voor te bereiden op de akkerbouw van morgen met ook 2030 en 2050 als vergezichten. In principe is BO Akkerbouw een progressieve club. Om iets te bereiken moeten we onze leden en daarmee de sector af en toe op sleeptouw nemen. Daarvoor moet je soms op de voorgrond treden.’

Hoe ziet uw perspectief eruit?

‘De hoofdmoot blijft de productie van gezond en duurzaam voedsel en uitgangsmateriaal. Daarnaast ben ik ervan overtuigd dat de landbouw een oplossing biedt voor veel maatschappelijke problemen. Daarvoor kunnen de gewassectoren diensten aanbieden variërend van de productie van biobased bouwmaterialen tot duurzame energie en een bijdrage leveren aan waterberging. Het aantonen van die maatschappelijke relevantie wordt steeds belangrijker.’

Hoe moet de sector dat aanpakken?

‘Wij zijn de campagne ‘Ruimte voor de Nieuwe Akker’ gestart om de bijdrage van de akkerbouw aan klimaatadaptatie, eiwittransitie, biodiversiteit en de groeiende vraag naar plantaardig voedsel onder de aandacht te brengen. Door te laten zien wat er allemaal gebeurt op de bedrijven, verantwoorden we het gebruik van 500.000 hectare landbouwgrond en leggen we uit hoe de sector ten dienste staat van de maatschappij.’

Voor welke veranderingen zorgt de transitie?

‘Ik verwacht dat er meer diversiteit komt in het type bedrijven. Enerzijds zal de schaalvergroting doorgaan met hoogproductieve gewasteelten. Daarbij zullen bouwplannen ruimer worden als gevolg van nieuwe regelgeving zoals het zevende actieprogramma Nitraatrichtlijn en de beperkingen voor teeltplannen rond Natura 2000-gebieden en op de zandgronden.


André Hoogendijk verwacht dat akkerbouwers meer biobased gewassen, zoals vezelhennep, gaan telen.
André Hoogendijk verwacht dat akkerbouwers meer biobased gewassen, zoals vezelhennep, gaan telen. © Koos van der Spek

‘Akkerbouwers zullen meer vezelgewassen telen voor biobased materialen en meedoen aan de eiwittransitie. Ook dat maakt de bouwplannen meer divers. Voor wat betreft de mechanisatie verwacht ik dat grotere bedrijven meer gaan werken met kleinere autonome machines die datagedreven worden aangestuurd en 24/7 inzetbaar zijn.’

En het verdienmodel van akkerbouwers?

‘Van de overheid mogen we verwachten dat het gebruik van biobased materialen voor de woningbouw wordt gestimuleerd en dat daarvoor beloningen komen in de vorm van carbon credits voor het vastleggen van koolstof. Daarvoor is goede certificering nodig.

‘Verder moeten er beloningen komen voor maatschappelijke diensten. Voor waterberging kan dat via waterschappen. Daarnaast is er behoefte aan een methodiek voor structurele vergoeding van vergroeningsmaatregelen, als compensatie voor de extensievere bouwplannen.

‘We zien kansen voor nieuwe ketens. Dat kan zijn met eiwitgewassen zoals veldbonen of kidneybonen. Daarvoor heeft BO Akkerbouw onlangs de Bean Deal medeondertekend. Een mooi voorbeeld is ook een project dat het gebruik van Nederlandse baktarwe als basisgrondstof voor Nederlands brood stimuleert.’

Is biologisch een serieus alternatief voor akkerbouwers?

‘Het is een optie en als BO Akkerbouw vertegenwoordigen wij ook biologische telers, handelaren en verwerkers in enkele ketenprojecten. Wij zien wel een stagnatie aan de vraagkant, ofwel de consument laat het afweten. Wat de akkerbouw betreft is omschakeling met name interessant voor de versmarkt. Maar akkerbouwers produceren vooral grondstoffen voor de verwerkende industrie en daar is de vraag naar biologisch nog beperkt.

‘De aanvankelijke doelstelling in de boer-tot-bordstrategie van de Europese Commissie om in 2030 25 procent biologisch landbouwareaal te realiseren, lijkt me voor Nederland niet waarschijnlijk.’

U spreekt ketenpartners nadrukkelijk aan op hun rol in de transitie.

‘Met alle beleidsplannen en maatschappelijke discussies die nu voorliggen, lijkt het erop dat de druk op de primaire sector wordt opgevoerd. Of het nu gaat om het zevende actieprogramma Nitraatrichtlijn, het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, de discussie over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of kunstmest. Alle uitdagingen komen op het bordje van de boer. Dat is niet terecht. De boer is niet in staat alles op te lossen.’

Wat verwacht u van ketenpartijen?

‘Dat ze telers meer ondersteunen in het transitieproces. Handvatten geven om nitraatuitspoeling te beperken of het middelengebruik terug te dringen en beter meedenken met bijvoorbeeld de oogstplanning om verspilling of structuurbederf tegen te gaan.

‘Als het gaat om oplossingen, dan zijn er overigens al wel mooie ontwikkelingen in de keten. Een goed voorbeeld is de bijdrage van veredelaars. Die zijn erin geslaagd om in twee decennia suikerbieten en zetmeelaardappelen te veranderen van gewassen die gevoelig zijn voor nitraatuitspoeling naar gewassen die minder stikstof gebruiken en niet meer uitspoelingsgevoelig zijn. Voor consumptieaardappelen ligt die uitdaging er nog. De overheid kan dat veredelingsproces helpen versnellen door zich sterk te maken voor het legaliseren van technieken als Crispr-Cas in Europa.’

Blijft er voldoende grond beschikbaar voor gewasteelten?

‘Er is zonder meer druk op het areaal vanwege regelgeving, verzilting en de beschikbaarheid van zoetwater. Verder is niet te verwachten dat vanwege krimp van de veestapel ineens meer grond vrijkomt voor akkerbouw. Daarbij nemen ook de opbrengsten nauwelijks nog toe en dat alles geeft ook zorg bij de verwerkers voor hun grondstofvoorziening.

‘Voor een beter beheer van landbouwgronden is er volgens mij meer behoefte aan een regionale aanpak, vooral omdat elke regio en elke grondsoort zijn specifieke problemen heeft. Ik wil pleiten voor het oprichten van coöperaties in de regio om de samenwerking tussen akkerbouwers, veehouders en lokale verwerkers te stimuleren. Daarmee geef je een aanzet tot het vormen van regionale kringlopen. Kijk naar goede voorbeelden hiervan in Friesland en in de Achterhoek.

‘In zo’n samenwerkingsverband moeten akkerbouwers de regie krijgen omdat zij het meeste verstand hebben van rotaties en het telen van gewassen. De overheid kan dit stimuleren en op z’n minst de regelgeving zo aanpassen dat uitwisselen van grond en nutriënten tussen sectoren eenvoudiger wordt.’


André Hoogendijk, directeur BO Akkerbouw
André Hoogendijk, directeur BO Akkerbouw © Hans Dijkstra

André Hoogendijk, directeur BO Akkerbouw

Bij BO Akkerbouw geeft André Hoogendijk (41) leiding aan een organisatie met acht medewerkers. Belangrijke taak van de vereniging is het faciliteren van akkerbouwonderzoek met op dit moment 77 lopende projecten voor een budget van 50 miljoen euro. Hoogendijk is sinds 1 september 2019 in dienst bij BO Akkerbouw. Daarvoor was hij adjunct-directeur bij de KAVB en werkte hij bij een adviesbureau in de publieke sector. Hoogendijk heeft een landbouwkundige opleiding gevolgd en is afgestudeerd als historicus.

Bekijk meer over:

Lees ook

Marktprijzen

Meer marktprijzen

Laatste nieuws

Nieuwste video's

Kennispartners

Meest gelezen

Nieuw op MechanisatieMarkt.nl

Meer advertenties

Vacatures

Weer

  • Maandag
    9° / 7°
    70 %
  • Dinsdag
    8° / 6°
    20 %
  • Woensdag
    6° / 5°
    20 %
Meer weer