Kwaliteit+pootgoed+fysiologisch+sturen
Achtergrond
© Han Reindsen

Kwaliteit pootgoed fysiologisch sturen

Volgens hoogleraar Paul Struik van Wageningen UR is het vanuit de principes van de plantenfysiologie goed mogelijk om de kwaliteit van pootgoed te verbeteren. Hij noemt met name de fase van loofdoding tot en met de oogst in zekere mate bepalend voor de vitaliteit van het uitgangsmateriaal.

De vitaliteit van pootgoed is in meer of minder mate afhankelijk van de groei van het gewas, de loofdoding, de afrijping, de oogst, de bewaring en de voorbehandeling voor het poten.
'Telers kunnen tijdens het groeiseizoen en door behandeling na de oogst invloed uitoefenen om de kwaliteit van pootgoed te optimaliseren. Maar daarbij zijn er behoorlijke rasverschillen en ook nog blinde vlekken die vragen om nadere uitleg', zegt Struik.

De hoogleraar gewasfysiologie was vorige week uitgenodigd door adviesorganisatie Delphy en de werkgroep Pootaardappelen van LTO om tijdens de Landelijke Pootaardappeldag in Emmeloord de kwaliteit van pootgoed wetenschappelijk te beschouwen. Struik ging daarbij onder meer in op de fysiologische leeftijd van pootaardappelen als indicatie voor vitaliteit en het belang daarvan voor de prestaties van het pootgoed in de nateelt.

Veldperiode

De wetenschapper heeft voor pootgoed de bestaande kennis over de fysiologie van het gewas op een rij gezet. Hij komt daarbij tot de conclusie dat de veldperiode tussen loofdoding en de oogst essentieel is voor de vitaliteit van pootgoed. Na de loofdoding zijn de pootaardappelen in de aardappelruggen volgens de wetenschapper extra gevoelig voor omgevingsfactoren.

Telers kunnen tijdens het groeiseizoen en door behandeling na de oogst invloed uitoefenen om de kwaliteit van pootgoed te optimaliseren

Paul Struik, hoogleraar gewasfysiologie Wageningen UR

'Bijvoorbeeld de temperatuur in de ruggen kan dan hoog oplopen en dat is nadelig voor de vitaliteit van de poters. Het is duidelijk dat de tijdstip en de methode van loofdoding invloed hebben op het verloop van de fysiologische leeftijd van het pootgoed en dat geldt ook voor de condities tijdens de oogst', vertelt de hoogleraar.

Vier fases

Naast de fysiologische ontwikkeling van het gewas verdeelt Struik in zijn beschouwing de levenscyclus van de pootgoedknollen in vier fases. De indeling heeft betrekking op groeikracht ofwel het vermogen van een poter om in relatief korte tijd een goed ontwikkelde aardappelplant te produceren.

In de eerste periode na de knolvorming vanaf de moederknol is er volgens de wetenschapper sprake van kiemrust. Na het doorbreken hiervan ontstaat een fase van apicale dominantie, waarbij alleen de topspruit van de knol uitgroeit tot een nieuwe stengel. De fase daarna geeft de maximale groeikracht en wordt vaak geïnitieerd door lage temperaturen in de bewaring. Uiteindelijk neemt in de periode van veroudering de kwaliteit van de gevormde spruiten af. In de bewaarperiode is de veroudering van pootgoed uit te stellen door de bewaartemperatuur laag genoeg te houden, stelt Struik.

Maximale groeikracht

'Voor de gangbare consumptieteelt zijn de relatief jonge pootgoedknollen die een maximale groeikracht geven het beste te gebruiken als uitgangsmateriaal. Dit pootgoed heeft voldoende energie voor een lang groeiseizoen en ook de capaciteit om hoge producties te leveren.'

De hoogleraar legt uit dat het voor vroege consumptieteelten juist beter is om iets verouderde pootgoedknollen uit te planten. 'Oudere knollen geven vaak net iets meer stengels die wellicht iets minder vitaal zijn, maar wel vroeger in het seizoen meer loof produceren en ook eerder starten met de knolvorming. Dit gewas zal uiteindelijk ook vroeger afrijpen.'

Weer

  • Donderdag
    21° / 14°
    20 %
  • Vrijdag
    20° / 13°
    60 %
  • Zaterdag
    21° / 13°
    50 %
Meer weer