Keuze van kabinet jaagt kosten en schaalvergroting melkveehouderij aan
Melkveehouders moeten de komende jaren hun uitstoot van ammoniak en broeikasgassen fors verminderen. Dat gaat geld kosten. Maar hoeveel is niet alleen het gevolg van de hoogte van de normen. Het is vooral een politieke keuze. Eind oktober komt landbouwminister Jaimi van Essen met het eerste wetsvoorstel.
Door de ammoniakopgave uitsluitend in stal en mestopslag neer te leggen en emissiereductie op het land niet mee te tellen, stuurt het kabinet boeren eenzijdig richting dure staltechniek. Een doorrekening op initiatief van Nieuwe Oogst laat zien dat die keuze de kostprijs fors verhoogt en schaalvergroting in de hand werkt.
Melkveehouders krijgen de komende jaren onder meer te maken met nieuwe normen voor ammoniak, broeikasgassen, dierenwelzijn en grondgebondenheid. Voor ammoniak is een norm voorzien van 0,164 kilo ammoniak uit stal en mestopslag per fosfaatrecht.
De huidige stal- en opslagemissie ligt volgens berekeningen van Rabobank gemiddeld rond 0,30 kilo ammoniak per fosfaatrecht per jaar. De nieuwe norm moet bijdragen aan een ammoniakreductie van 42 tot 46 procent in 2035. Daarmee ligt er een forse opgave. Maar minstens zo bepalend als de hoogte van die opgave is de manier waarop melkveehouders eraan moeten voldoen. En precies daar maakt de politiek een cruciale keuze.
Reductie telt niet even zwaar
In het op 26 juni aangekondigde beleid telt voor de nieuwe ammoniaknorm alleen de uitstoot uit stal en mestopslag en dus niet de emissiereductie buiten de stal. Deze afbakening en beperkte invoering van doelsturing hebben grote bedrijfseconomische consequenties.
Een melkveehouder die extra weidegang toepast, het ruweiwitgehalte in het rantsoen verlaagt, mest anders aanwendt, aanzuurt of stript, of minder kunstmest gebruikt, kan daarmee de emissies in de stal en in het veld verlagen. Maar zolang de veldemissies niet meetellen, moet de melkveehouder de emissie in de stal onnodig ver terugdringen. Daarmee stuurt het beleid bedrijven eenzijdig richting technische oplossingen in de stal. En die zijn duur.
Om de norm van 0,164 kilo ammoniak te halen, zullen veel melkveehouders hun stal moeten aanpassen. Afhankelijk van de gekozen techniek en bestaande stalsituatie gaat het volgens berekeningen van Wageningen University & Research om investeringen van zo’n 170.000 tot 200.000 euro voor een gemiddeld melkveebedrijf.
Niet terug te verdienen
Daarnaast moet ook worden voldaan aan de normen rond klimaat en grondgebondenheid. De totale investering vertaalt zich in een verhoging van de kostprijs van melk met naar schatting 3 tot 5 cent per kilo. Voor een gemiddeld gezinsbedrijf met een jaarlijkse productie van 1 miljoen kilo melk betekent een kostprijs van zo’n 4 cent extra 40.000 euro aan jaarlijkse kosten meer. Dat is een bedrag dat niet in de markt is terug te verdienen.
Rabobank becijferde dat de huidige financieringsruimte van de gemiddelde melkveehouder niet genoeg mogelijkheden biedt om de investeringen te doen die noodzakelijk zijn als gevolg van de stikstofbrief in zijn huidige vorm. Een kostprijsstijging van gemiddeld 4 cent staat ongeveer gelijk aan de huidige marge in bedrijfsbegrotingen, waardoor deze marge volledig verdwijnt.
Het opmerkelijke is dat een belangrijk deel van die extra kosten niet uitsluitend voortvloeit uit de gewenste ammoniakreductie. Deze kosten komen dus vooral voort uit de politieke keuze over waar die reductie moet plaatsvinden. Dat blijkt wanneer in de doorrekening een tweede route wordt gekozen. Daarbij blijft de reductieopgave overeind, maar wordt gekeken naar de ammoniakemissie van het hele melkveebedrijf. Emissiereductie op het land kan dan worden verrekend met de emissie uit stal en opslag.
Het verschil is aanzienlijk. Managementmaatregelen als meer weidegang, een lager ruweiwitgehalte in het rantsoen, aanzuren van mest en een combinatie van dagontmesting en strippen tellen in zo’n systematiek twee tot vier keer meer mee dan wanneer alleen het effect op stalemissies kan worden geteld. Ook maatregelen als diepe mestinjectie en vermindering van het kunstmestgebruik komen in beeld.
Melkveehouders krijgen daarmee de mogelijkheid om aan verschillende knoppen te draaien, afhankelijk van wat past op hun bedrijf. Ze hoeven niet langer primair via dure staltechniek aan de reductieopgave te voldoen, maar kunnen zoeken naar de combinatie van maatregelen die op het eigen bedrijf het effectiefst en goedkoopst is. Volgens de doorrekening blijft de kostprijsstijging daardoor ruim de helft lager dan wanneer de reductie uitsluitend via stal en opslag moet worden gerealiseerd. Dat maakt de politieke afbakening van de norm een belangrijke economische keuze.
Bio en extensief in het nadeel
De gekozen systematiek heeft nog een opvallend effect. Juist biologische en zeer extensieve melkveehouderijen kunnen er relatief ongunstig uitkomen, omdat deze bedrijven veel grond bovengemiddeld weiden en geen kunstmest gebruiken. Als alleen stal- en opslagemissies meetellen, dan kunnen deze extensieve bedrijven hun lage veldemissies niet benutten om aan de norm te voldoen. Ook kunnen zij daardoor worden gedwongen om te investeren in dure stalmaatregelen.
Wanneer naar het hele melkveebedrijf wordt gekeken, verandert dat beeld. Dan worden de emissievoordelen van veel beweiden en een extensievere bedrijfsvoering wel zichtbaar. Het kabinet bepaalt daarmee niet alleen hoeveel ammoniakreductie nodig is, maar indirect ook welke bedrijfsvoering economisch wordt beloond.
Schaalvergroting als gevolg
Op die manier ontstaat een tweede effect: schaalvergroting. Een investering in emissiereducerende staltechnieken bestaat voor een belangrijk deel uit vaste kosten. Een melkveehouder met meer koeien en een hogere melkproductie kan die investering over meer kilo’s melk uitsmeren. Voor een kleiner gezinsbedrijf drukt dezelfde investering op aanzienlijk minder liters.
Er zijn zes typen melkveebedrijven doorgerekend. Voor ieder bedrijf zijn twee routes naast elkaar gezet. In de eerste moeten de stal- en opslagemissie zelfstandig aan de ammoniaknorm voldoen. Dat sluit aan bij de systematiek uit de Kamerbrief die landbouwminister Jaimi van Essen op vrijdag 26 juni presenteerde: ‘Weer ruimte voor boer, natuur en bouw: maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof’.
In de tweede variant wordt naar het volledige bedrijf gekeken en mogen reducties van veldemissies worden verrekend met de emissie uit stal en opslag. Die mogelijkheid maakt op dit moment geen deel uit van het aangekondigde beleid.

De tabel laat per type bedrijf zien welk pakket nodig is en de investering die dat vergt (k=1000, RE=ruw eiwit). Bij pakket 1 kunnen boeren niet intern salderen met de veldemissie bij pakket 2 wel. Pakket 2 verlaagt bij alle zes bedrijven de financiële impact. De dierenwelzijnseisen (vanaf 2040) zijn meegenomen in de berekeningen. Wageningen University & Research telt een minimumoppervlakte van 9 vierkante meter per koe, die leidt tot 18 procent meer ammoniakemissie uit de stal ten opzichte van de huidige situatie. Dit maakt de noodzaak om ook veldemissies mee te tellen nog groter.
Naast de ammoniaknorm, is ook het klimaatdoel van 92 kilo CO2-equivalenten per fosfaatrecht meegenomen. Net als de eis van 85 procent voer van eigen land voor bedrijven op zand- en lössgrond. Voor biologische bedrijven is de klimaatnorm buiten beschouwing gelaten.
Dat is uiteindelijk geen technische, maar een politieke keuze. De consequenties daarvan zijn evenzeer politiek: welke bedrijven krijgen ruimte om hun bedrijfsvoering voort te zetten, wie wordt gedwongen fors te investeren en welk type melkveehouderij wordt daarmee economisch aantrekkelijker?
Van Essen komt naar verluidt op vrijdag 30 oktober met een uitwerking van de Kamerbrief en de eerste wetsvoorstellen. LTO Nederland en het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt onderhandelen hier al weken over met het kabinet. De discussie over de ammoniaknorm gaat daarmee over de vraag hoeveel die reductie boeren moet kosten en welk type melkveebedrijf door het beleid een toekomst heeft.
‘Minder ruw eiwit haalbaar zonder productiedaling’
Onderzoeker Alfons Beldman van Wageningen Social & Economic Research onderzocht hoe ver en met welke maatregelen boeren hun ammoniak- en methaandemissies kunnen terugdringen. Daarmee geeft hij inzicht in het handelingsperspectief en de kosten die daarmee gepaard gaan.
Een van de maatregelen is het verlagen van het ruweiwitgehalte in het voer. In het verleden was daar veel verzet tegen uit vrees voor gevolgen voor de diergezondheid en melkproductie. Beldman zegt dat nieuwe inzichten dat beeld doen kantelen.
‘Ervaringen in de pilot Koe en Eiwit en Netwerk Praktijkbedrijven laten zien dat minder ruw eiwit in het rantsoen zonder productiedaling haalbaar is. Dit is wel een belangrijke randvoorwaarde. Als de melkproductie per koe daalt, is de financiële impact groot.’
De melkopbrengsten vormen zo’n 80 procent van alle inkomsten van het bedrijf, stelt Beldman. ‘Als de melkproductie per koe met bijvoorbeeld 250 kilo daalt bij verder gelijkblijvende kosten, scheelt dit zo’n 1,5 cent per kilo melk.’
Het kostenplaatje van de maatregelen valt in Beldmans berekening lager uit dan in sommige online rekenmodellen. Volgens hem hoeven managementmaatregelen niet duur te zijn en leveren die al aardig wat reductie op.
Minder mest afvoeren
‘Verder houden we rekening met afnemende kosten voor mestafzet door de lagere stikstofexcreties’, vervolgt Beldman. ‘De melkveehouder kan door lagere stikstofgehalten in de mest meer kubieke meters mest toedienen en hoeft dan minder af te voeren.’
Beldman rekende ook aan methaanoxidatie, een techniek waarbij dit sterke broeikasgas wordt omgezet in het minder schadelijke CO2 en water. De techniek moet nog worden doorontwikkeld en er is een installatie met onder meer een gasdichte opslag nodig. ‘Ik heb gerekend met het meest gunstige effect’, benadrukt de onderzoeker. ‘Het vraagt wel om een investering voor het afvangen van het methaan en om stalaanpassingen voor de afvoer van dagverse mest, maar het is redelijk kosteneffectief.’
De grootste reducties kunnen boeren behalen met een Lely Sphere, koetoilet of meststrippen. Dit vergt grote investeringen die niet zorgen voor meer opbrengsten, maar juist drukken op het rendement. De vraag is of ze wel haalbaar zijn voor het gangbare familiebedrijf. Beldman: ‘Als je de teruggewonnen stikstof op je bedrijf aan kunt wenden, dan levert dat nog wel een besparing aan kunstmestkosten op, maar dat is niet voldoende om alle investeringen te compenseren. Of het haalbaar is, hangt van de financiële prestaties en de investeringsruimte van het individuele melkveebedrijf af. We hebben in dit onderzoek geen rekening gehouden met eventuele investeringssubsidies.’
Bekijk meer over:
Lees ook
Marktprijzen
Meer marktprijzen
Laatste nieuws
Nieuwste video's
Kennispartners
Meest gelezen
Nieuw op MechanisatieMarkt.nl
-

John Deere 6510
Gebruikt, € 24.500
-

JOHN DEERE X940 COMPACTTREKKER 60" AUTO CONNECT (LIE) #781637
Gebruikt, P.O.A.
-

Voorlader Quicke X4S met console
Gebruikt, P.O.A.
-

John Deere 6M 145 trekker (REU) #782994
Gebruikt, P.O.A.
Vacatures
Ondernemer/ Bedrijfsleider Fruitteelt (met participatie mogelijkheid)
Landgilde - Goirle
Vakspecialist / Docent Teelt
Lentiz MBO Middelharnis - Sommelsdijk
Medewerker schadeverzekeringen
Vereinigte Hagel agrarische verzekeringsmaatschappij - Smilde, Midden-Drenthe
Directeur
BoerenNatuur Zuid-Hollandse Delta - Westmaas, Nederland
Weer
-
Zondag13° / 9°100 %
-
Maandag12° / 8°65 %
-
Dinsdag18° / 11°60 %
















