Resistente rassen vragen om vooruitkijken: de oplossing zit in het hele systeem

Resistente rassen kunnen bijdragen aan minder gewasbeschermingsmiddelen, maar zijn geen oplossing op zichzelf. Ze vormen een bouwsteen binnen een systeem waarin veredelaars, telers en ketenpartijen moeten samenwerken.

Het ontwikkelen van resistente rassen vraagt om vooruitkijken en anticiperen op toekomstige uitdagingen.
© Tony Tati

‘De oplossing zit niet aan één kant. Winst ontstaat pas als de oplossing in het hele systeem werkt’, benadrukt Trinette van Selling, Global Manager Breeding bij Enza Zaden, tijdens een bijeenkomst over resistente rassen. De landbouw staat volgens haar voor een dubbele opgave: verduurzamen en voldoende voedsel produceren van goede kwaliteit, met leveringszekerheid en tegen een betaalbare prijs.

Veredelaars, telers, afnemers, retail, consumenten en beleid zijn daarbij van elkaar afhankelijk. Een verbod op een gewasbeschermingsmiddel maakt een teeltsysteem dan ook niet automatisch duurzamer.

‘Resistentie is een belangrijk onderdeel omdat het met name preventief werkt’, zegt Van Selling. Maar resistente rassen staan volgens haar niet op zichzelf en moeten onderdeel zijn van een bredere aanpak. ‘Vruchtwisseling, monitoring en biologische of fysieke bestrijding kunnen het middelengebruik sterk verminderen.’

De vraag aan het einde van de keten bepaalt welke innovatie wordt opgepakt

Robert Graveland, R&D-directeur van Royal HZPC

Dat resistentie alleen niet voldoende is, blijkt volgens de veredelingsmanager uit het voorbeeld van de bladluis nasonovia in sla. Een sterke resistentie werd in 2007 doorbroken door een nieuw biotype. Veredelaars gingen op zoek naar een nieuwe resistentie. Die werkt volgens Van Selling anders en is niet volledig: enkele luizen kunnen nog in het gewas voorkomen.

Tegelijkertijd was 2025 het laatste gebruiksjaar van een belangrijk middel tegen de bladluis. Daardoor zaten ijsbergslatelers vorig jaar met de handen in het haar. ‘De markt accepteert nog steeds geen enkele luis in de sla en we hebben geen middelen meer om te gebruiken.’ Volgens Van Selling moet de keten daarom sneller anticiperen op ontwikkelingen. ‘Je moet veel eerder met elkaar om tafel gaan zitten. Wat zien we op ons afkomen en zijn we daarop voorbereid?’

Verder vooruitkijken

R&D-directeur Robert Graveland van Royal HZPC benadrukt dat veredelaars verder vooruit moeten kijken. Een nieuw aardappelras ontwikkelen en op de markt brengen kost jaren. Daarom moet nu al duidelijk zijn wat telers en afnemers in de toekomst nodig hebben.

‘Dus als we wat willen veranderen, moeten we zo'n tien, vijftien jaar vooruitdenken’, stelt Graveland. Daarbij gaat het niet alleen om opbrengst en kwaliteit, maar ook om resistenties, klimaatverandering en de afnemende beschikbaarheid van middelen.

De tijdsdruk neemt volgens de R&D-directeur van HZPC toe. Nieuwe genomische technieken kunnen helpen rassen sneller beschikbaar te krijgen en vormen een aanvulling op de ‘gereedschapskist’ van veredelaars. ‘Maar een technisch goed ras is nog geen marktsucces,’ geeft Graveland aan.

Lees ook: Praktijk moet wennen aan resistente rassen ijsbergsla

Vooral verwerkers en retail hebben invloed op welke rassen worden geteeld. En daar ligt voor Graveland juist de uitdaging. ‘De kunst is om ervoor te zorgen dat de vraag aan het einde van de keten sterker wordt en mede bepaalt welke innovaties worden opgepakt.’

Ook de prijs en uitstraling van het eindproduct spelen een rol. ‘Als mensen naar de supermarkt gaan, kiest het grootste deel vooral voor voedsel dat betaalbaar is en er goed uitziet,’ zegt een teler tijdens een groepsdiscussie. Een robuuster ras wordt daardoor moeilijk breed geaccepteerd als het structureel tot een duurder product leidt.

Areaalbesparing

Tegelijkertijd kan een robuuster ras kosten besparen. De teler illustreert dat met een rekenvoorbeeld. Een robuust ras dat tegen hitte kan en zonder beregening 60 ton per hectare oplevert, heeft voor 3.000 ton 50 hectare nodig. Een gevoeliger ras dat 50 ton per hectare oplevert, heeft voor dezelfde hoeveelheid 60 hectare nodig.

Het robuuste ras levert daarmee dezelfde hoeveelheid product op met 10 hectare minder grond. De areaalbesparing kan volgens de teler een deel van de meerprijs van een robuuster ras opvangen.

De vraag is vervolgens wie de voordelen en risico’s in de keten draagt. Volgens Graveland is een betere verdeling van die risico’s een voorwaarde om nieuwe rassen sneller op de markt te brengen. Veredelaars en telers dragen productierisico’s, terwijl verwerkers en retailers vooral te maken hebben met verwerkings- en marktrisico’s.

Lees ook: EU-verordening geeft impuls aan veredeling: ‘Europa is zeker vijf jaar te laat’

Graveland: ‘Spelers die een nieuw product door hun fabriek halen of iets nieuws in de schappen van de supermarkten neerleggen, moeten het risico mede dragen en niet alleen meer naar de marge kijken.’

Vanuit de praktijk werd door een biologische teler tijdens de bijeenkomst een kanttekening geplaatst bij de rol van veredeling. De ondernemer onderschrijft dat resistente rassen kunnen bijdragen aan het terugdringen van het middelengebruik, maar stelt tegelijkertijd dat nog veel onbekend is over waarom een plant gezond groeit.

Blinde vlekken

Volgens de teler is meer kennis nodig over de factoren die bijdragen aan plantgezondheid, zodat daar in de teelt beter op kan worden gestuurd. ‘Ik ben absoluut niet tegen veredeling, integendeel. Maar als deze blinde vlekken worden weggelaten ‘omdat de veredeling het wel oplost’, zijn we in mijn ogen verkeerd bezig.’

Over één punt was tijdens de bijeenkomst brede overeenstemming: resistente rassen kunnen een groot verschil maken. Maar alleen als ze onderdeel zijn van een bredere aanpak en de voorwaarden daarvoor op tijd worden gecreëerd.

In gesprek blijven voor beter praktijkgericht onderzoek
Samenwerking tussen onderzoekers en veredelingsbedrijven heeft belangrijke resistente rassen opgeleverd, stelt Olga Scholten van Wageningen University & Research. Rhizomanieresistente suikerbieten, valsemeeldauwresistente uien en phytophthoraresistente aardappelen zijn daar voorbeelden van. Dit vraagt om langdurig onderzoek, investeringen en kennisuitwisseling.

Maar de publiek-private samenwerking kent een spanningsveld. Bedrijven willen investeringen en kennis beschermen, terwijl kennisinstellingen resultaten juist willen delen. ‘De uitdaging ligt in het evenwicht tussen wat je binnenhoudt en wat je publiceert’, zegt Scholten.

Naarmate onderzoek dichter bij markttoepassing komt, verschuift ook de grens tussen gezamenlijk en competitief onderzoek. Toch blijft regelmatig contact volgens Scholten belangrijk. ‘Ga en blijf in gesprek. Door bedrijven te bezoeken en hun uitdagingen te horen, kunnen onderzoekers hun onderzoek beter laten aansluiten op de praktijk.’

Lees ook

Laatste nieuws

Nieuwste video's

Kennispartners

Meest gelezen

Nieuw op MechanisatieMarkt.nl

Meer advertenties

Vacatures

Weer

  • Woensdag
    22° / 11°
    20 %
  • Donderdag
    15° / 9°
    85 %
  • Vrijdag
    15° / 8°
    80 %
Meer weer